Pieter de La Courtstraat 62 – Jacob Simons en Saartje Simons-Soosman

Stolpersteine
volgende stenen

Inhoud van deze pagina:

Plaatsing Stolpersteine 25 februari 2026

Op 25 februari 2026 werden twee Stolpersteine geplaatst bij Pieter de La Courtstraat 62

Jacob Simons, geboren , gedeporteerd 20 juli 1943 uit Westerbork, vermoord 23 juli 1943 te Sobibor

Saartje Simons-Soosman, geboren 29 april 1874 , gedeporteerd 20 juli 1943 uit Westerbork, vermoord 23 juli 1943 te Sobibor

 

De Stolpersteine voor Jacob Simons en Saartje Simons-Soosman

 

Jacob Simons en Saartje Simons-Soosman (privécollectie)

 

Jan Pier Cleveringa strooit zand uit Gees in de voorbereidde uitsparing. Jacob en Saartje hadden een groot deel van hun leven in het Drentse Gees gewoond en Jan Pier Cleveringa, die een boekje over deze familie schreef, had dit zand meegenomen van de kleine Joodse begraafplaats uit Gees.

De stenen voor Jacob Simons en Saartje Simons-Soosman worden geplaatst door Menachem Philipson, een kleinzoon van Jacob en Saartje.

Hennie en Wout bevestigen de stenen met cement.

Menachem Philipson, de kleinzoon van Jacob en Saartje houdt de toespraak

 

Toespraak gehouden door Menachem Philipson

Aan alle organisatoren en geachte gasten.

Namens mijn hele familie wil ik u danken voor de moeite die u hebt gedaan om mijn dierbare grootouders te herdenken, waarvan hun laatste woonadres in hun oudere dagen te Leiden was.
De reden voor hun verhuizing van Coevorden naar Leiden was hun slechte gezondheid en de noodzaak om dicht bij een van hun dochters te wonen.
Oorspronkelijk kwamen zij uit het kleine dorp Gees, waar sinds 1805 slechts één Joodse familie woonde, nadat mijn bet overgrootvader een stuk land had gekocht en er een huis op had gebouwd. Het staat daar tot op de dag van vandaag als een monumentaal pand, en in het Drentse dialect heet het “Jeudenhussien”.

Na hun huwelijk kochten zij een ander huis in Gees, dat vroeger de dorpsschool was, en in dat huis werden hun drie dochters geboren. Mijn grootvader, Jacob Simons, was een marskramer die textiel en naaiproducten verkocht in de omliggende dorpen. Mijn grootmoeder, Sarah Simons-Soosman, was een kleermaakster die pakken maakte, die destijds zeer modieus waren. Toen hun dochters ouder werden, verhuisden zij naar Coevorden zodat de meisjes contact konden maken met de lokale Joodse gemeenschap en daar naar de middelbare school konden gaan. Mijn grootmoeder bleef werken als naaister, terwijl mijn grootvader in zijn huis een fourniturenwinkel opende en tevens als koerier werkte om afgewerkte pakken bij klanten af te leveren.

Hun dochters:

Selina trouwde met Issac Philipson, chazzan, sjochet en geestelijk secretaris van de Joodse gemeente in Hoogeveen. Zij kregen twee dochters, Rita en Sarah.
Henrietta trouwde met zijn broer Jacob, de kantoorleider van het Joods Weeshuis in Leiden. Zij kregen vijf kinderen, waarvan ik de jongste zoon ben, geboren in 1942.
Roosje, de jongste dochter van de familie Simons, trouwde in 1943 met Samuel van Oss, die als drukker werkte in het bedrijf van zijn vader in Oss.

De hele familie Simons, behalve mijn moeder Henrietta en haar vijf kinderen, kwam om in de Holocaust.

Mijn moeder heeft zichzelf nooit vergeven en dacht dat zij verantwoordelijk was voor de dood van mijn vader, omdat zij hem drie maanden nadat zij waren ondergedoken, vanuit de schuilplaats naar Leiden stuurde om voor haar ouders te zorgen… Zij sprak nooit over de oorlog en wist niet precies wat er met mijn vader en haar ouders was gebeurd. De enige zin die zij ons kon vertellen was: “Op een dag verliet je vader de schuilplaats en kwam nooit meer terug.”

In maart 1948 ontving zij een officiële brief uit Leiden waarin stond dat mijn vader op 23‑07‑1943 in Sobibor was “gestorven”. Zij wist nooit dat haar ouders in dezelfde trein zaten, samen met meer dan 1000 Joden, die vertrok op 20.07.1943. Alle zogenaamde passagiers van die trein kwamen aan in Sobibor en gingen rechtstreeks naar de gaskamers. Niemand van hen overleefde de Holocaust.

Mijn moeder sprak nooit over de Holocaust. Zij stierf in juni 1992 en nam haar geheimen met zich mee..

Een jaar later begon ik met het onderzoek naar mijn familie, dat bijna twintig jaar duurde..

De belangrijkste persoon voor mij in die periode was de heer Leonard Kasteleyn, die onderzoek deed naar het Joods Weeshuis in Leiden, waar mijn vader secretaris en kantoorleider was. Toen ik hem ontmoette, nam hij mij mee naar het politiearchief in Leiden. Daar vond hij een politiedocument van 20‑06‑1943, waarin stond dat om 23:15 uur mijn vader, mijn grootouders, de huiseigenaren en nog een Jood naar het politiebureau waren gebracht. Een maand later werden zij per trein van Westerbork naar Sobibor gedeporteerd.

Tijdens een van mijn bezoeken aan het archief van kamp Westerbork was ik geschokt toen ik van de directeur kopieën ontving van de persoonskaarten van alle familieleden, inclusief de namen van degenen die ondergedoken waren en niet in Westerbork verbleven. Ik ontving ook kopieën van de Rode Kruis-kaarten die ons jarenlang na de oorlog bleven volgen. Op mijn kaart stond bijvoorbeeld dat ik naar Israël was geëmigreerd, en in 1966 met Esther Philipson was getrouwd, inclusief mijn adres. En ik vraag: Waarom???

Ik voel mij verplicht om diepin mijn hart de historicus uit Oosterhesselen, dr. Jan Pier Cleveringa, te bedanken, die onderzoek deed naar de geschiedenis van de zeer kleine Joodse gemeenschap in Gees, en van wie ik alle details over mijn grootouders en hun dochters heb geleerd. Met zijn toestemming vertaalde ik zijn boekje in het Hebreeuws, zodat de volgende generatie het verhaal kan lezen.

Ongeveer tien jaar geleden, als afsluiting van mijn twintig jaar onderzoek, schreef ik in het Hebreeuws het boek “Half an Egg- een familieverhaal”. Het was belangrijk om het door te geven aan de volgende generatie, die allemaal in Israël wonen. Helaas had ik niet de financiële middelen om het boek in andere talen te laten vertalen

Namens mijn hele familie dank ik u allen voor uw inspanningen om mijn grootouders te herdenken.

Dank u wel voor Uw aandacht..

Menachem Philipson

 

Biografie geschreven door Mirjam Franke

Vooraf: voor deze biografie is, met toestemming van de auteur, dankbaar gebruik gemaakt van het boek Soosman en Simons. De geschiedenis van twee joodse families uit Gees, door Jan Pier Cleveringa.[1] Het onderstaande steunt volledig op dit boek, tenzij anders is vermeld.

Jacob Simons 

Op 12 juli 1871 wordt Jacob Simons geboren in Gees (gem. Oosterhesselen), Drenthe. Hij is het een na jongste kind van Mozes Simons en Saartje (Selina) Soosman.

Vader Mozes (geboren in 1833 in Ootmarsum) was koopman in kleinvee – voornamelijk geitjes en kalfjes, waarvan hij de huiden na de slacht verkocht. Een van zijn handelsreizen leidde naar een klein dorp in Drenthe: Gees, in de buurt van Westerbork. Daar ontmoet hij Saartje Soosman. Het stel trouwt in 1864; Mozes is dan 30 jaar en Saartje 28 jaar oud. Na hun huwelijk trekt het paar in bij Saartjes ouders, in het “jeudenhoessien” (jodenhuisje) aan de Oude Steeg te Gees.

 

Foto Jeudenhoessien

In totaal krijgen Mozes en Saartje vijf kinderen:

  1. Dochter Roosje, geboren 1864 te Gees. Zij trouwt in 1900 (ze is dan 35 jaar oud) met Wolf Golsteen, een 37-jarige huisschilder uit Dwingeloo. Ze gaan wonen in Ruinen. Het huwelijk eindigt in 1906 met een echtscheiding, waarna Roosje terugkeert naar Gees en intrekt bij haar vader (die nog in het jeudenhoessien woont). Roosje overlijdt in 1914, ze is dan 49 jaar oud. Ze ligt begraven op het jeudenkerkhof aan de Jimmingveensweg te Gees.
  2. Dochter Saartje wordt in 1866 geboren in Gees. Zij trouwt in 1866 met Salomon Aronius, waarna het paar gaat wonen in Zwartsluis. Saartje overlijdt op 46-jarige leeftijd en is in Zwartsluis begraven.
  3. Dochter San (Susanna) wordt in 1869 geboren in Gees. Zij blijft ongehuwd. Na het overlijden van moeder Saartje (San is dan 18 jaar oud), blijft San in het jeudenhoessien wonen en doet de huishouding voor haar vader en jongste broer Jacob. Vader Mozes sterft in 1919. Een jaar later trekt San in bij broer Jacob, die dan met zijn echtgenote (zijn nichtje Saartje Soosman) in de voormalige lagere school aan de Dorpsstraat van Gees woont. In 1924 verhuizen Jacob en Saartje naar Coervorden: San verhuist met hen mee. Uiteindelijk overlijdt San eind 1933 in Coevorden; ze is dan 64 jaar oud.
  4. Zoon Jacob, geboren te Gees in 1871. Over hem gaat deze biografie.
  5. Zoon David wordt in Gees geboren, maar wordt slechts 1 jaar oud. Hij overlijdt op 4 mei 1875 in Gees.

Moeder Saartje Soosman overlijdt in Gees op 7 april 1887, ze is dan 51 jaar oud. Vader Mozes overlijdt op 24 februari 1919 na een ongeval met de stoomtram in Gees op 86-jarige leeftijd. Zij zijn beiden begraven op het Jeudenkerkhof van Gees.

Foto Jeudenkerkhof

 

Jacob Simons, geboren 12 juli 1871, trouwt in 1907 (op 3 mei) op 35-jarige leeftijd met zijn nichtje Saartje Soosman. Ze wonen eerst in bij Jacobs vader in het jeudenhoessien van Gees, waar dan ook de oudere zuster van Jacob (San) woont, en waarheen ook de inmiddels gescheiden andere zuster van Jacob (Roosje) is teruggekeerd. Maar al na een jaar verhuist het paar naar het verbouwde pand van de voormalige openbare lagere school aan de Dorpsstraat (nr. 37) in Gees, welk pand ze huren van de gemeente Oosterhesselen.

 

 

Saartje Soosman

Saartje Soosman wordt geboren op 29 april 1874 te Gees (gem. Oosterhesselen). Ze is de dochter van Samuel Soosman (geboren 21 januari 1841) en Jette van Zuiden (geboren 15 mei 1832).[1a] Samuel en Jette waren getrouwd in 1873.  Twee jaar na Saartje wordt haar zusje Betje Maria geboren op 16 juli 1876.[1b] Aanvankelijk woont het gezin in bij de ouders van Samuel, – Mozes Simons en Saartje Soosman, in het jeudenhoessien (jodenhuisje) aan de Oude Steeg in Gees. In 1878 verhuist het gezin naar Hoogeveen.

Saartje Soosman trouwt op 3 mei 1907 (op 33-jarige leeftijd) met haar neef Jacob Simons, die dan 35 jaar oud is. In hun kinderjaren hadden beiden gewoond in het huis van de ouders van Jacob: het jeudenhoessien aan de Oude Steeg te Gees; na haar huwelijk met Jacob keert Saartje daar naar terug.

Na hun trouwen in 1907 wonen Saartje en Jacob eerst in bij Jacobs vader aan de Oude Steeg, maar al snel vinden ze een woning aan de Dorpsstraat 37 aldaar. Het is het pand van de voormalige openbare school, dat verbouwd is tot woning. Ze huren het pand van de gemeente Oosterhesselen.

 

Foto schooltje (rechts 2025)

 

Jacob handelt in textielwaren en galanterie-artikelen. Hij gaat de dorpen langs om lappen stof en zijn andere koopwaar te verhandelen. Saartje is coupeuse. Ze maakt heren-, dames- en kinderkleding.

In 1908 wordt de oudste dochter van Jacob en Saartje geboren: Selina (Lien). Anderhalf jaar later wordt de tweede dochter, Henriette (Jet), geboren en in februari 1914 de derde dochter: Roosje. Met financiële steun van de moeder van Saartje (Jette) kunnen Jacob en Saartje het huis aan de Dorpsstraat kopen van de gemeente. Ook het “jeudenhoessien” aan de Oude Steeg wordt door Jacob gekocht.

De drie dochters van Jacob en Saartje gaan alle drie naar de openbare lagere school in Gees. Ze zijn goed geïntegreerd in de dorpse gemeenschap. Dat geldt ook voor Jacob en Saartje. Jacob is lid van de oudercommissie van de lagere school en hij treedt regelmatig als getuige op bij geboorteaangiften in het gemeentehuis.

In mei 1925 verhuizen Jacob en Saartje met hun drie dochters en de zuster van Jacob, Suzanne (San, die inmiddels was komen inwonen in het huis aan de Dorpsstraat) naar Coevorden. Ze gaan wonen aan de Stationsstraat aldaar. In de stad kunnen Jacob en Saartje hun dochters een joodse opvoeding in een joodse gemeente en omgeving geven en er zijn meer handelsmogelijkheden voor Jacob. De drie dochters krijgen in Coevorden allen een vervolgopleiding. Lien gaat naar de Kweekschool en verhuist in 1929 terug naar Gees, waar ze gaat lesgeven aan de openbare lagere school. Jet doet de handelsavondschool, waarvoor ze in 1931 slaagt. Daarna verhuist ze naar Wijk aan Zee, waar ze gaat werken in een joods vakantieoord. Roosje blijft bij haar ouders wonen. Zij volgt een opleiding tot kostuumnaaister en helpt haar moeder in het naaiatelier in het huis aan de Stationsstraat in Coevorden. Alle drie de zusters zijn actief lid van de joodse vrouwenvereniging Tifereth Nosjiem.

In 1932 trouwt Lien met Isaac Philipson. Lien is dan 23 jaar oud. Het paar gaat in Hoogeveen wonen, waar Isaac sinds november 1929 rabbijn is.

Jet trouwt enkele jaren later met Jacob Philipson, de jongere broer van Isaac. Het paar gaat in Leiden wonen (waar Jacob dan al werkzaam is).

Roosje blijft nog bij haar ouders wonen. Zij zal in juli 1942 met Samuel (Sem) van Os trouwen. Ze gaan in Oss wonen, waar Sem bedrijfsleider in de drukkerij van zijn vader is.

In maart 1940 verhuizen Jacob, Saartje en hun jongste dochter Roosje naar Leiden. Ze wonen eerst in de Haarlemmerstraat , daarna gaan ze wonen aan de Pieter de la Courtstraat 62. Jacob en Saartje willen graag dichter bij hun middelste dochter Jet wonen. Jet woont dan al vijf jaar met haar man en vier kinderen (later vijf) in Leiden, aan de Van der Waalsstraat 34. Haar man Jacob is als administrateur werkzaam bij het joodse weeshuis in Leiden.

In 1942 worden Jacob en Saartje gedwongen te verhuizen naar de Franchimontlaan 31 in Leiden, waar ze slechts korte tijd blijven. Enkele maanden later moeten Jacob en Saartje onderduiken – aan de Oude Rijn 48 in Leiden. Na de ontruiming van het joodse weeshuis (op 17 maart 1943), waar Jacob Philipson werkt, duiken ook Jet en Jacob onder met hun vijf kinderen. Hun jongste zoontje Menachem is dan pas een paar maanden oud.

Dan komt de dramatische nacht van 20 juni 1943. Jacob Philipson wil zijn schoonouders bezoeken. Hij raakt onderweg naar hen gewond door een kogelschot. Daarna vlucht hij naar zijn schoonouders op hun onderduikadres aan de Oude Rijn, maar hij wordt gevolgd.  Rond middernacht wordt de voordeur ingeslagen. Twee collaborerende Nederlandse rechercheurs nemen zowel Jacob als Sara Simons mee, en hun schoonzoon Jacob Philipson, plus nog een andere onderduiker.

Ze worden uiteindelijk op de trein gezet naar doorgangskamp Westerbork. Van daar worden ze enkele weken later (op 20 juli 1943) op transport gesteld naar Sobibor, waar ze aankomen op 23 juli 1943 en nog dezelfde dag vermoord worden. Het was het laatste transport vanuit Westerbork naar Sobibor. Geen van de gedeporteerden van dit laatste transport heeft de oorlog overleefd.[2]

Pagina uit de transportlijst 20 juli 1943, in het midden de drie namen uit Leiden: Jacob Philipson, Jacob en Saartje Simons-Soosman.

 

Dochter Jet, die op 20 juni 1943 haar man en allebei haar ouders in één harde klap kwijtraakte, blijft met vijf jonge kinderen (Rika, Elias, Jacob, Clara Lea en Menachem) achter. Zij weet te ontkomen door onder te duiken, waarbij haar kinderen verspreid over het land in de onderduik zitten. Na de oorlog kost het Jet een half jaar om haar kinderen terug te vinden.[3] Daarna vertrekt zij met haar vijf kinderen naar Petah Tiqwah in Israël. Jet hertrouwt in 1954 met Schlomo Armon, weduwnaar uit Hongarije.

De oudste dochter van Jacob en Saartje, Lien, was al op 2 oktober 1942 opgepakt in Hoogeveen, samen met haar man Isaac en hun twee dochtertjes (Rika en Sarah). Via Westerbork werd Lien gedeporteerd naar Auschwitz, waar zij op 5 november 1942 samen met haar dochters is vermoord. Isaac wordt in maart 1944 vermoord, in een ander concentratiekamp, onbekend is waar.

De jongste dochter van Jacob en Saartje, Roosje, werd met haar man Sem in Oss opgepakt en op 6 juli vanuit Westerbork gedeporteerd naar Sobibor, waar zij op 9 juli 1943 werden vermoord.

[1] Door Jan Pier Cleveringa uitgegeven in eigen beheer in 2016.
[1a] Genealogieonline.nl/genealogie-van-der-veen/12301.php.
[1b] Uit een eerdere relatie van Jette was een zoontje, Alexander, geboren. Hij heeft slechts één maand geleefd (van 28 februari tot 1 april 1859), zie Genealogieonline.nl/genealogie-van-der-veen/12317.php.
[2] www.westerborkportretten.nl/westerborkportretten/jacob-en-saartje simons.
[3] De geschiedenis van de familie Simons. De laatste joodse familie die in Gees woonde, door Jan Pier Cleveringa, De Klenckerheugte 2016, p. 19.

 

Foto’s:

Jacob Simons en Saartje Simons-Soosman

 

Van links naar rechts Selina, Jet en Roosje Simons

Sem van Oss en Roosje Simons

Rabijn Isaac Philipson, Hoogeveen, de man van Lien.

Jet (rechts),Wijk aan Zee

Bruiloft Samuel Menco en Sara Philipson. Achterhuis, Joodse gemeente Hoogeveen

 

Het joodse gemeentehuis in Hoogeveen heeft een belangrijk rol gespeeld in het leven van de Philipson en Simons families. Nadat de vader van Isaac in 1926 is overleden, werd zijn oudste zoon, Isaac Philipson, het hoofd van de familie. Op de kleine foto staan oom Isaac en tante Selina voor hun woning die in het joodse gemeente huis was. Boven de ingang, links op de foto waren 2 glas in lood ramen, die hebben de weg gevonden om in ons bezit te komen. Nadat ze door ons  gerestaureerd zijn, zijn ze in Petach Tikwa bij de ingang van een Sjoel door ons ingezet, met nieuwe ingangsdeuren. Het huis op de Schutstraat in Hoogeveen is gedeeltelijk afgebroken en de ramen heeft Lien Braaf eruit gehaald en jarenlang bewaard tot zij ons heeft gevonden.

 

Links

Joodsmonument.nl: Jacob Simons en Saartje Simons-Soosman 

Leiden4045: Jacob Simons en Saartje Simons-Soosman

Verslag plaatsing: 25 februari 2026 plaatsing Stolpersteine in Leiden

 

 

De Stichting dankt de gemeente Leiden, de Universiteitsbibliotheek Leiden, de particulieren (de aanwezigen en zij die financiële steun gaven) voor het steunen en mede mogelijk maken van deze plechtigheid.

Correcties en aanvullingen kunt u melden aan de redactie, via webmaster@herdenkingleiden.nl
PlaatsingToespraak bij deze plaatsingBiografieLinks