Boekpresentatie 13 maart – gerelateerd aan Joodse Weeshuis

Ter attentie: vrijdag 13 maart boekpresentatie in Leiden gerelateerd aan het Joodse Weeshuis.
De publicatie van het boek is volledig het initiatief van de auteur geweest.
De stichting mocht bij de presentatie een korte lezing geven over het Joodse Weeshuis bij deze bijeenkomst. Die lezing vindt u onderaan deze pagina.

In de pers:
Leidsch Dagblad artikel Ruurd Kok, zaterdagkrant 21 maart 2026

Reformatorisch Dagblad, artikel boek Maar we blijven hopen, vrijdag 1 mei 2026

 

Vrijdag 13 maart 2026 Boekpresentatie historische youngadultroman, geschreven door Jan Vermeulen. Maar we blijven hopen, het bijzondere verhaal over twee kinderen uit het Joods Weeshuis in Leiden. In het boek staat een verantwoording over welke aspecten gebaseerd zijn op feitelijke gebeurtenissen.

Het programma 

• Opening door adjunct-directeur B. N. de Jongh 20.00
• Barbera Bikker van Stichting Herdenking Jodenvervolging Leiden vertelt over het Joods Weeshuis 20.05
• De uitgever aan het woord & overhandiging eerste exemplaar 20.15
• De auteur aan het woord 20.20
• Muzikaal intermezzo door Hanna de Vreugd, piano 20.30
• Een interview met Marianne Kroese-de Vries, dochter van Daniël, de hoofdpersoon van het boek 20.35
• De auteur leest voor 20.45
• Sluiting door adjunct-directeur B. N. de Jongh 20.55
• Gelegenheid om het boek te kopen en te laten signeren 21.00- ca 21.15

Locatie: Driestar College Leiden, Vennemeerstraat 5, 2334 DE Leiden. Aanvang 20.00, toegang: vrij.

Het boek is vanaf 5 maart verkrijgbaar via de Banier.

Hieronder de digitale flyer en programma affiche.

PDF affiche met programma

 

Lezing

Korte lezing over het Joodse Weeshuis Leiden

Ter gelegenheid van de boekpresentatie op 13 maart 2026  

(onderaan staat een PDF met de illustraties bij de lezing)

Mijn naam is Barbera Bikker, dank voor de uitnodiging om kort iets over de geschiedenis van het Joodse Weeshuis in Leiden te vertellen.

Ik ben betrokken bij de stichting Herdenking Jodenvervolging Leiden. Zij organiseert jaarlijks een herdenking van de Jodenvervolging in Leiden, er is educatiemateriaal gemaakt, de stichting organiseert Stolpersteine plaatsingen (struikelstenen voor met name Joodse slachtoffers) en online heeft de stichting een website over het Joodse weeshuis. En vooral vanwege die website heb ik contact met Jan gekregen. En daarom vertel ik nu ook iets over het Joodse weeshuis in Leiden.

Het is een korte toespraak, dus ik vertel een paar lijnen maar dat is uiteraard maar een fractie van wat erover verteld kan worden. Ik heb er ook een paar boeken over meegenomen (zonder de aandacht van Jan zijn boek te willen afleiden natuurlijk).  [boeken: Machseh Lajesoumim, A Jewish Orphanage in the City of Leiden, 1890-1943, Jaap W. Focke (Amsterdam 2021), Vervolging en bescherming, joden in Leiden 1933-1945, Leonard Kasteleyn (2003) en Lotte – ‘Ik zing terwijl het binnen in mij huilt’, Mien Stam-van der Staaij (2003)].

Een weeshuis heeft wellicht een imago dat het mega streng is, dat kinderen het vreselijk vinden en dat ze geen fijne herinneringen aan deze tijd hebben. Zonder het teveel te romantiseren kan dat van het Joodse weeshuis in Leiden niet gezegd worden, en zeker niet vanaf de periode vanaf 1929.

Voordat men in 1929 naar de Roodenburgerstraat in Leiden kon verhuizen naar een gloednieuw gebouw, was het weeshuis gevestigd aan de Stille Rijn. Dat gebouw, een voormalig magazijn, was geschonken en op zich was dat fijn maar het gebouw was niet geschikt voor een weeshuis. Toch hebben ze het daar lang volgehouden, van 1891 tot en met 1929.

In 1903 had men een stuk grond gekocht aan de Roodenburgerstraat, maar er was geen geld voor een nieuw gebouw. Er is 25 jaar gespaard voor het nieuwe gebouw er kon komen. Toen men in juni 1928 aan de bouw begon ging het snel. Precies een jaar na de start van de bouw verhuisden de kinderen. Ze gingen er enorm op vooruit. Er was plaats voor ruim 50 kinderen.

We noemen het voor het gemak een weeshuis maar eigenlijk heette het een Centraal Israëlitisch Wees- en Doorgangshuis. Het betekende een tijdelijk huis voor kinderen, soms omdat een van hun ouders ziek was, of overleden, of als er sprake was van een ongehuwde moeder of van gescheiden ouders. In de praktijk waren er nauwelijks kinderen waarvan allebei de ouders waren overleden. Gelukkig maar natuurlijk. Ook kwamen er vanaf 1933 kinderen uit met name Duitsland maar ook wel Polen. Zij waren soms met een Kindertransport naar Nederland gekomen. Soms waren de ouders meegevlucht en zij plaatsten de kinderen dan tijdelijk in het weeshuis terwijl ze zelf hun nieuwe leefsituatie moesten organiseren.

Het weeshuis in Leiden werd speciaal opgericht om jongere kinderen op te kunnen vangen. Er waren in Nederland al diverse wees- en doorgangshuizen voor kinderen met een Joodse achtergrond, maar daar werden kinderen pas toegelaten vanaf de leeftijd van zes jaar. In Leiden waren dus ook jongere kinderen welkom. En zij konden dan eventueel doorstromen naar een andere locatie als ze zes jaar oud waren, wat overigens in de praktijk betrekkelijk weinig gebeurde.

De naam van het weeshuis was Machseh Lajesoumim, dit betekent ‘schuilplaats voor wezen’. Een toevluchtsoord voor deze kinderen dus.

In de periode 1929 tot en met 1943 hebben er zo’n 170 kinderen gewoond, sommige heel kort, anderen enkele jaren tot nog veel langer. Ongeveer 30 van deze kinderen heeft er meer dan tien jaar gewoond. Het weeshuis was bedoeld voor kinderen tot maximaal 18 jaar oud. De directeur Nathan Italie zocht een passende vervolgplaats voor de kinderen die 18 werden.

Het was voor die tijd een modern weeshuis. De kinderen droegen bijvoorbeeld geen schoolkostuum en ondanks wat je getekend ziet op de bouwtekeningen werden de speelruimtes voor jongens en meisjes niet gescheiden.

In een brief van overlevende Hans Kloosterman, dat hij schreef aan Leonard Kasteleyn ruim twintig jaar geleden lezen we dat de kinderen ouder dan 13 jaar op maandag zakgeld kregen van mevrouw Italie, de vrouw van directeur Italie. En Hans Kloosterman schrijft daar verder over: ”We mochten met ons zakgeld doen wat we wilden. Natuurlijk was er meestal 3 cent voor een postzegel, om een brief naar mijn moeder te sturen en dan was er 2 cent over, om 2 ijsjes te kopen. Dat was natuurlijk toen ik nog maar 5 cent zakgeld kreeg.”

Voor veel van de kinderen voelden de bewoners van het Weeshuis als familie. Hans schrijft in een van zijn brieven: ‘we waren broers en zusters; een grote familie’.

Het joodse geloof had ook een belangrijke plaats in het huis. Het bestuur en ook de directeur vond het belangrijk dat de kinderen opgroeiden met de joodse gebruiken. Ze kregen ook allerlei lessen en ze vierden de Joodse feesten. Aan de achterzijde van het gebouw was een mooie erker gebouwd en bij Soekot, het Loofhuttenfeest, kon het dak daarvan worden opgetild zodat de sterren te zien waren. Naast de sjabbat en de feestdagen gingen de kinderen zeker twee keer per week naar sjoel (synagoge).

Leonard Kasteleyn, ik noemde hem net al even, heeft zo’n 25 jaar geleden veel gesprekken gevoerd met een aantal van degenen die de oorlog hebben overleefd, waaronder de hoofdpersoon van het boek dat straks wordt gepresenteerd. Ik lees een klein stukje uit Leonard zijn documenten voor, dat gaat over de viering van Chanoeka in het weeshuis.

‘Eén keer per jaar, met Chanoeka, werd in de huiskamer een toneelvoorstelling gegeven. We voerden verschillende stukjes op. Alle leden van het bestuur waren uitgenodigd. Van zolder was het podium tevoorschijn gehaald, en er waren stoelen neergezet. Chanoeka was ook belangrijk voor de kinderen die het afgelopen jaar het weeshuis hadden verlaten, want zij hadden ook een uitnodiging gekregen. Meneer Italie kwam dan op het podium, hield een belangrijke rede tot hen en gaf ieder een prachtig cadeau – en, als ik me het goed herinner, een envelop met geld.’ Alle bewoners van het weeshuis kregen wat. ‘Natuurlijk bekeken alle kinderen hun cadeaus en die van de anderen. Met veel limonade en taartjes werd de avond besloten.’  (einde citaat).

De meesten van de kinderen gingen naar de lagere school aan de Langebrug in Leiden. Toen joodse kinderen vanaf de zomervakantie van 1941 niet meer naar de reguliere scholen mochten kwam er een joodse school bij het Pieterskerkhof. Het was één van de vele isolerende maatregelen die sinds 1940 aan de joodse medebewoners werden opgelegd.

De meest bekende datum in de geschiedenis van het Joodse Weeshuis van Leiden is 17 maart 1943. Volgende week is het op 17 maart 83 jaar geleden dat het gebouw werd omsingeld en de kinderen en de begeleiders werden weggevoerd naar Westerbork. Er vindt jaarlijks een herdenking plaats, ook volgende week dus, georganiseerd samen met kinderen van groep 8 van de Josephschool.

In 1943 kwam dus na bijna 53 jaar een bitter einde aan het Joods Weeshuis in Leiden. De plek die een schuilplaats had moeten zijn werd ontruimd door de Leidse politie. Op dat moment woonden er 50 kinderen en negen begeleiders in het huis. Alle 59 werden naar Westerbork gedeporteerd. Het grootste deel van hen was binnen tien dagen vermoord in Sobibor. Slechts vier van de 59 overleefden de oorlog.

De stichting, die ik aan het begin al noemde, plaatst sinds 2022 Stolpersteine in Leiden voor de joodse slachtoffers. Ook bij het gebouw van het joodse weeshuis aan de Roodenburgerstraat liggen al Stolpersteine en hier komen nog meer stenen bij. Jaarlijks plaatsen we een serie. Iedereen die korter of langer in het weeshuis woonde, tussen 10 mei 1940 en 17 maart 1943, en de oorlog niet overleefde, die zal een Stolperstein krijgen. Dit betekent dat er 83 Stolpersteine komen. Op 17 juni is de eerstvolgende serie. Wilt u informatie hierover ontvangen, dan kunt u zich via onze website abonneren op onze nieuwsbrief of u kunt ook straks aan mij uw e-mailadres doorgeven.

Het gebouw is van de gemeente Leiden en er is nu een gezondheidscentrum in het gebouw gevestigd. Dit betekent dat je er in de praktijk overdag op werkdagen altijd naar binnen kunt lopen. Binnen is de indeling gewijzigd, maar de trappen zijn ongewijzigd en je kunt toch boven een indruk krijgen van hoe het geweest moet zijn. Ook de gevel is redelijk ongewijzigd. De davidster in de deur is een bijzondere verwijzing naar de functie die het gebouw de eerste 14 jaar van zijn bestaan heeft gehad.

Bedankt.

illustraties bij de lezing: https://herdenkingleiden.nl/wp-content/uploads/2026/02/Lezing-joods-weeshuis-13-maart-2026.pdf

Aanmelden voor de nieuwsbrief van de stichting