In dit artikel schrijft de Leidse archeoloog Ivar Schute over een vondst in Sobibor waar hij bij betrokken was.
De familie Hakker en het etensbord in Sobibor
Ivar Schute
Maurits en Simon Hakker waren twee joodse jochies uit Den Haag die in de Tweede Wereldoorlog eerst naar het weeshuis van Leiden werden gebracht. In de nacht van 5 op 6 maart 1943 vond in Leiden de eerste razzia plaats. Een jaar eerder waren de Leidse Joden al opgeroepen om zich ‘vrijwillig’ te melden, maar nu ging het met de nodige dwang. Het Centraal Israëlietisch Wees- en Doorgangshuis ‘Machseh Lajesoumiem’ (te vertalen als ‘toevlucht voor wezen’), aan de Roodenburgerstraat in het zuidelijk deel van Leiden is een fraai gebouw in gele baksteen met in de deur verwerkt een enorme davidster. Elke keer weer glijdt mijn oog langs de namen van de kinderen die ’s avonds op 17 maart 1943 door de politie werden opgepakt en op transport gesteld. Die nacht werden alle nog niet ondergedoken Leidse Joden verzameld en naar het Joods doorvoerkamp Westerbork vervoerd. Na Westerbork volgde vernietigingskamp Sobibor, en daarna niets meer. En dat is waarom op 17 juni 2026 Stolpersteine voor die twee kinderen worden geplaatst: Maurits en Simon Hakker.
Hakker, die naam zegt me iets. Op de archeologische opgraving van Sobibor die ik deelnam als enige Nederlander (2013 t/m 2017), hebben we een emaillen bord gevonden. Dat bord heeft een pleister met een naam erop.
Er zijn bij de opgraving 16 voorwerpen aangetroffen met een naam erop.[1] In de meeste gevallen betrof dit één persoon, soms een familienaam. Van deze 16 personen zijn er maar liefst 13 Nederlands. Gelet op het aantal Nederlandse slachtoffers op het totale aantal (34000/170000), is hier sprake van onevenredigheid.
De voorwerpen betreffen vier zelfgemaakte metalen naamplaatjes voor Nederlandse kinderen, twee militaire identificatieplaatjes, zes geëmailleerde deurnaambordjes, drie hangertjes en een etensbord. De naamplaatjes zien er allemaal een beetje primitief uit, alsof ze zijn gemaakt door de ouders. De reden dat deze kinderen naamplaatjes bij zich hadden, moet de angst zijn geweest de kinderen in de drukte te verliezen. In alle vier de plaatjes zitten een of twee gaatjes. De naamplaatjes zullen aan een kettinkje om de hals zijn gedragen.
De vondst ervan was iedere keer een schokkend moment. Voorwerpen gingen van hand tot hand en even viel het monotone geluid van de schoppen weg. Meteen werd er naar gegevens gezocht. Omdat de transportlijsten vanuit Westerbork bewaard zijn gebleven was er in veel gevallen informatie over de Nederlandse slachtoffers beschikbaar, en soms zelfs een foto. Met name de eerste foto, die van een schattig meisje met krullenbol, de zesjarige Lea Judith de la Penha maakte enorme indruk. Dit naamplaatje werd in 2011 vlak bij het perron ontdekt, de plek die Gerhard Durlacher omschreef als ‘de overstapplaats naar de eeuwigheid’.
Er was geen duidelijk protocol om nabestaanden op te sporen en in te lichten. Het is dan ook onduidelijk waar precies die verantwoordelijkheid ligt. Het museum, als rentmeester van het terrein, nam die rol pas in latere jaren op zich. In de praktijk probeerden wij als archeologisch team dat in de avonduren te doen. Soms waren het journalisten die daar indoken.
Gelet op het Nederlandse karakter van de vondsten heb ik dat werk in enkele gevallen zelf gedaan. De foto van Sara Mock-Hakker toont een statige wat oudere vrouw uit Den Haag. Haar etensbord werd in 2013 in de buurt van de barak van het Sonderkommando gevonden, op de grond, tussen de bomen en de dennenappels. Waarschijnlijk is het wit geëmailleerde gietijzeren bord door schatgravers opgegraven en achtergelaten, of bij bosbouwwerkzaamheden op een of andere wijze aan de oppervlakte geraakt. Hoe lang het daar al lag is onduidelijk, maar opmerkelijk genoeg heeft een op de achterzijde van het bord geplakte pleister de tijd overleefd. Er staat iets op te lezen; lang dacht Wojtek dat er ‘Bakker’ stond, maar met veel moeite lukte het me de tekst te ontcijferen:
S. MOCK-HAKKER
DEN HAAG 18-9-
HOLLAND 1883
Sara Hakker werd op 18 september 1883 in Den Haag geboren en werd op 5 maart 1943 op 59-jarige leeftijd in Sobibor vermoord. Ze was getrouwd met Maurits Mock, een diamantbewerker uit Amsterdam. Samen liepen ze de gaskamers in, hun zoon overleefde de oorlog.

Figuur 1. Foto van Sara Mock-Hakker (1883-1943).

Figuur 2. Het emaille bord.

Figuur 3. De pleister met de tekst: S. Mock-Hakker, Den Haag Holland, 18-9-1883.
Sara Mock-Hakker was de oudtante van Maurits en Simon Hakker. Sara kwam uit een grote familie. Ze had tien broers en zussen die allemaal in de oorlog het einde vond, drie in Auschwitz en vijf in Sobibor, Sara inbegrepen. Ze hadden geloof ik 26 kinderen, waarvan er vier de oorlog overleefden, waaronder Sara’s zoon. Eentje vond al eerder een natuurlijke dood.
Ik kwam erachter dat die zoon van Sara ook weer een zoon had die nog leefde. Die heb ik gebeld om van de vondst te vertellen. Hij wilde het niet zien.
Een van Sara’s broers was Mozes Hakker, de opa van Maurits en Simon, die in 1941 in Den Haag zijn dood vond. Hij was getrouwd met Mietje Hakker-Fresco, die weer in Sobibor vermoord was op 14 mei 1943. Zij hadden vier kinderen, waarvan er eentje de oorlog overleefde: Betje Hakker, de tante van Maurits en Simon. Maurits en Simon hadden dus twee ooms. Een werd vermoord in Auschwitz en eentje in Sobibor, een week later dan zijn neefjes en broer.

Figuur 4. Uiteindelijk in het Sobibor-museum: Het emaille bord van Sara Mock-Hakker.
Bronnen:
https://herdenkingleiden.nl/weeshuis/namenpagina-weeshuis/maurits-en-simon-hakker/
https://www.joodsmonument.nl/nl/
Ivar Schute, 2020. In de schaduw van een nachtvlinder. Een archeoloog op zoek naar sporen van de Holocaust. Uitgeverij Prometheus, Amsterdam.
[1] Er zijn nog een paar militaire identificatieplaatjes aangetroffen; deze zijn (nog) niet ontcijferd.
Gepubliceerd op de website: 10 april 2026
