Terug naar het verslag van de Stolpersteine plaatsing in Leiden op 25 februari 2026
Toespraak Pieter Schrijnen ter gelegenheid van de bijeenkomst vooraf op 25 februari
Welkom aan alle gasten
Mijn naam is Pieter Schrijnen, voorzitter van de werkgroep die de plaatsing van de Stolpersteine in Leiden organiseert. Ik mag u hier kort toespreken.
Welcome to all guests, family members, neighbours.
Bruchim hab’im lekal ha’orchim shlanu.
Herzlich willkommen an alle unsere Gäste.
Welkom aan alle gasten, familieleden, bewoners, buurtgenoten.
Het is voor ons een eer, dat jullie samen met ons deze stenen willen plaatsen, om deze zeven burgers uit Leiden te herdenken. Dank aan de universiteit voor de gastvrijheid! En dank aan de mannen van de Leidse Rotary, die vandaag meehelpen met het vervoer.
Wij gaan straks de Tuinstadwijk in, en wij zullen samen zeven Stolpersteine plaatsen.
We doen dat voor Franz Moritz Eilenberg, voor Izak Salomon Hamburger en Elisabeth Placzek, voor Jacob Simons en Saartje Soosman, voor Eliazar de Metz en Amalia Frank. Zij hoopten hier in Leiden een mooie, veilige woonplek te hebben, om hier gewoon hun leven te kunnen leiden, in vrede. Het mocht niet zo zijn. De bezetters hebben hen geïsoleerd, afgevoerd en vermoord. De terreur van die tijd heeft angst gezaaid in de Nederlandse samenleving. De burgers van Leiden hebben hen niet kunnen beschermen.
Franz zat hier op de instrumentmakers school. Hij is 20 jaar oud geworden. Izak werkte in een restaurant. Hij werd 46 jaar oud. Zijn vrouw Elsa was eerder boekhouder, 44 jaar oud. Saartje had als coupeuse gewerkt, zij stierf 69 jaar oud. Haar man Jacob heeft een winkel gehad in manufacturen, hij werd 71 jaar oud. Eliazar was hier apotheker. Hij is 38 jaar oud geworden. Zijn vrouw Mali had als huisarts gewerkt. Zij werd slechts 32 jaar oud.
Gewone mensen, met ieder een eigen plek in onze samenleving. Zij hadden hier hun thuis. Maar dat thuis werd op een afgrijselijke manier verstoord. Alleen omdat ze Joods waren, werden ze geïsoleerd, vervolgd, opgepakt, weggevoerd, vermoord. De bezetters vonden dat de Duitsers tot een beter volk behoorden, dat hun cultuur veel beter was. Dat Joden minderwaardig waren. Dat deze mensen daarom geen menswaardig bestaan mochten hebben. De Joden kregen de schuld van van alles wat er maar mis kon zijn. Zij werden tot ‘die ander’ gemaakt, de vreemdeling, de minderwaardige.
Helaas horen wij zulke woorden de laatste jaren weer terugkomen. Racisme en discriminatie steken de kop weer op. Het antisemitisme groeit. Maar niet alleen dat. Vreemdelingenhaat neemt ook toe. Ook nu worden mensen tegen elkaar opgezet, hier, in ons eigen land.
Het is zo gemakkelijk om goed of fout te roepen, om te wijzen naar een ander. Het is echter veel moeilijker om ruimte maken voor nuance, om ruimte te maken voor het eigen verhaal van de ander, voor het verhaal van mensen die je niet kent. Het is moeilijker om vol empathie naar de vreemde ander te kijken. En om actief te zoeken naar oprechte vriendschap over alle grenzen heen.
Dat vraagt moed. Ik werd geraakt door de brieven van twee vriendinnen, de één een Moslima, de ander een Joodse vrouw. Nadia Bouras noemt vriendschap een vorm van radicale hoop. Zij stelt dat alleen het kennen van de ander vrede dichterbij kan brengen. Gelijkwaardigheid tussen mensen is geen gegeven, het is niet vanzelfsprekend. Gelijkwaardigheid is iets dat je telkens opnieuw moet oefenen – in woorden, in luisteren, in hoe we ons tot elkaar verhouden. Zo schrijft zij, een Islamitische vrouw, aan haar Joodse vriendin. Die vriendin, Margalith Kleijwegt, schrijft terug. Ze beschrijft hoe moeilijk het in deze tijd is, om ruimte te maken de bezorgdheid of boosheid van de ander. Ook mensen uit haar eigen kring zijn vaak woedend over haar genuanceerde zoektocht. Nuance is volgens Margarith Kleijwegt geen uiting van onzekerheid, maar een uiting van moed.
Vandaag gedenken we zeven mensen. En met dat gedenken hebben wij ook de opdracht om hier en nu te oefenen in gelijkwaardigheid, om vreemdelingen te leren kennen, om naar elkaar te luisteren, om ruimte te maken voor nuance. We horen vandaag de verhalen van Franz, Izak en Elisabeth, Jacob en Saartje, Eliazar en Amalia. En laten we zo luisteren dat het ons bemoedigt om ook nu de ander, de vreemdeling als medemens te zien.
We lopen straks samen naar de huizen waar deze mensen hebben gewoond. De mannen van de gemeente, Wout en Henny, hebben de plaatsing al goed voorbereid. Op elk adres plaatsen we de stenen en vertelt één van de verwanten of één van ons iets over het leven van deze Leidenaren. Wie wil kan er een steentje of een bloem bij leggen. Bij het laatste adres wordt het Kaddish gezegd, een Joods gebed voor de overledenen. Daarna kunnen we voor wie wil nog even hier terug komen om na te praten.

Pieter Schrijnen
