Vluchtverhaal Herman Stofkooper

Dit is het verhaal van Herman Stofkooper over zijn vlucht samen met zijn verloofde Jet tijdens de oorlog naar Zwitserland. Herman woonde van 1929 tot en met 1935 in het Joodse Weeshuis in Leiden. Hij schreef een eerste versie van zijn rapport vlak na de oorlog. Dat leende hij uit maar uiteindelijk niet teruggekregen. Toen heeft hij het opnieuw geschreven in de zeventiger jaren van de vorige eeuw. Dit stuk is op deze pagina gepubliceerd met toestemming van de familie. Bij eventueel gebruik graag contact opnemen. 

 

 

Onze vlucht naar Zwitserland – Herman Stofkooper

Wat eraan vooraf ging : 

In augustus 1939 werd ik als dienstplichtige opgeroepen voor de mobilisatie. We moesten met onze compagnie intrek nemen in een ontruimd weeshuis in Katwijk aan Zee. Daar zijn we gebleven, totdat de oorlog in mei 1940 uitbrak. Bij het uitbreken van de oorlog werden wij gedropt random het vliegveld Valkenburg bij Leiden. lk heb daar vier dagen oorlog meegemaakt, hetgeen verre van aangenaam is geweest, omdat wij de strijd met Duitse parachutisten moesten aanbinden. Na de capitulatie heb ik getracht vanuit Katwijk aan Zee met een boot in Engeland te geraken, maar dit was niet meer mogelijk. Daarna is mijn compagnie naar Noordwijk aan Zee getransporteerd, waar wij te voet naar toe moesten lopen en ondergebracht werden in een oud hotel in afwachting van wat er verder met ons zou gaan gebeuren. Spoedig kwam via de Duitsers het bericht, dat boeren en tuinders snel zouden worden vrijgelaten om hun werkzaamheden te kunnen hervatten in het belang van de voedselpositie van het land.

lk heb toen een gesprek aangevraagd met mijn bataijonscommandant, omdat ik mij als jood verre van safe voelde en omdat ik bang was om als krijgsgevangene naar Duitsland getransporteerd te worden. lk heb mijn bataijonscommandant duidelijk kunnen maken, dat mijn situatie verre van rooskleurig was en ik niet in Duitse krijgsgevangenschap wilde belanden. Hij beloofde mij op de lijst van boeren en tuinders te plaatsen, opdat ik ook naar huis kon gaan. Dit geschiedde inderdaad en op 29 mei daaropvolgend ( toevallig mijn verjaardag) mocht ik Noordwijk verlaten en keerde ik huiswaarts naar Tilburg, waar ik werkzaam was geweest op een tricotagefabriek. lk leerde daar het vak om later als agent voor deze firma te gaan werken. lk heb daar mijn werkzaamheden hervat, maar niet voor lange tijd. Eind 1940 werd mij op last van de Duitse bewindvoerder (ik werkte namelijk bij een joodse firma) te kennen gegeven, dat ik mijn biezen kon pakken, waarbij ik mijn ontslag moest tekenen met de vermelding, dat ik vrijwillig ontslag nam. Dit heb ik geweigerd; toch moest ik op staande voet vertrekken en kreeg nog wel een maand salaris.

In Tilburg was ik in pension bij een joodse familie. Als gevoig van een door de Duitsers uitgegeven verordening mochten joodse families geen niet-joodse dienstmeisjes meer in dienst houden. Omdat mijn hospita zwaar gehandicapt was ten gevolge van een heupziekte, waardoor zij geen lichamelijke werkzaamheden kon verrichten, heb ik haar toen aangeboden om in de huishouding te helpen. Aldus geschiedde.

Inmiddels was in Amsterdam de Joodse Raad opgericht op last van de bezetter en in iedere gemeente in Nederland, waar een behoorlijk aantal Joden woonden, werd een onderafdeling opgericht. Mij werd gevraagd, omdat ik geen werkzaamheden voor de hele dag had om mij dagelijks een paar uur beschikbaar te stellen om wat administratief werk te verrichten. Dit ben ik inderdaad gaan doen. Verder gaf ik in Tilburg aan een aantal joodse ingezetenen een cursus “Nieuw Hebreeuws”. Dit was ook tot Breda doorgedrongen en ik kreeg dan ook het verzoek om ook in Breda cursus te geven. Op deze cursus heb ik mijn toekomstige vrouw, Aaltje Henriëtte Cohen leren kennen. Het was inmiddels eind 1941 geworden. In maart 1942 hebben we ons verloofd, waarbij van beide zijden nog een aantal familieleden aanwezig waren. Daarna kwam ik regelmatig per fiets van Tilburg naar Breda, omdat het voor joden verboden was om zonder vergunning van de trein gebruik te maken.

In mei 1942 werd via een verordening van de bezetter bekend gemaakt, dat de joden in het vervolg een gele davidster moesten gaan dragen. Het niet dragen ervan zou zeer streng bestraft worden. Mijn aanstaande schoonvader had de gewoonte ’s morgens vroeg de vuilnisbak twee maal per week buiten te zetten. Op een keer deed hij dat zonder jas aan en dientengevolge zonder ster op. Hij werd daarbij gesnapt door een Nederlands lid van de N.S.D.A.P., die erop uit was joden, die de verordening van de bezetter niet opvolgden bij de Duitsers te verraden. Mijn aanstaande schoonvader moest op het politiebureau in Breda verschijnen, waar rapport werd opgemaakt en waar hem werd meegedeeld, dat hij er met een fikse boete af zou komen. De aanklacht was, dat hij de vuilnisbak buiten de deur had gezet zonder daarbij in het openbaar de ster te dragen. Mijn schoonouders waren zeer geliefd in de buurt, waar zij woonden en de buren beloofden, dat, indien de boete erg hoog zou zijn, zij allen de boete gezamenlijk zouden betalen. Hoe geheel anders zou een en ander uitvallen. Pinksteren 1942 werd mijn schoonvader op zaterdagmiddag door een N.S.B.-politieambtenaar thuis opgehaald en naar het Huis van Bewaring in Breda gebracht. Wij zouden hem nooit meer terugzien. Vanuit het Huis van Bewaring in Breda werd hij later naar een kamp in Haaren bij `s-Hertogenbosch en nog later naar het concentratiekamp in Amersfoort overgebracht. Toen wij beiden Nederland verlieten, wisten wij op dat moment niet, waar hij verbleef. Na de oorlog hebben we vernomen, dat hij omstreeks oktober/november in het concentratiekamp om het leven is gekomen.

Ik werkte in mei 1942 nog steeds bij de Joodse Raad in Tilburg en in juni kreeg ik de opdracht een lijst samen te stellen van joden, die in aanmerking kwamen om in een zogenaamd werkkamp te werk gesteld te worden. Ik heb dit geweigerd te doen met als gevolg, dat ik op kon stappen. Ik wenste geen lijsten aan te leggen met daarop de namen van mijn joodse medeburgers, die te werk zouden worden gesteld in een werkkamp. Toen een paar dagen later de lijst toch uitkwam, bleek, dat ik bovenaan de lijst vermeld stond om na keuring door een arts uitgezonden te worden. Ik heb terstond contact opgenomen met mijn huisarts in Tilburg en heb van hem een attest gekregen, waarin stond vermeld, dat ik niet in aanmerking kwam om uitgezonden te worden naar een werkkamp, omdat ik last had van hoge bloeddruk. Hiermede ben ik naar de keuringsarts gegaan (uiteraard een N.S.B.-er) en heb na veel geharrewar drie maanden uitstel gekregen. Daarna zou ik opnieuw gekeurd worden. Dat was de situatie op het moment, dat ik besloot naar Breda te gaan om met mijn verloofde te praten over vertrek uit Nederland.

 

Het  besluit te vluchten : 

De volgende dag ben ik, nadat ik mijn huishoudelijke taken had volbracht per fiets naar Breda gereden, niet wetende, dat ik niet meer naar Tilburg zou terugkeren. Ik wilde in Breda een gesprek met mijn verloofde en mijn schoonmoeder hebben over een vlucht uit Nederland. Enige maanden tevoren had ik via kapper Tiest van Gool vernomen, dat wanneer er moeilijkheden zouden ontstaan en wij weg wilden, hij iemand kende, die ons eventueel zou kunnen helpen. In de eerste plaats moest ik van mijn schoonmoeder gedaan zien te krijgen, dat ik Jet mocht meenemen. Dit leek mij niet zo eenvoudig, omdat wij niet getrouwd waren. Mijn schoonmoeder echter was ruim van opvatting en nadat ik mijn bedoelingen uiteengezet had, kreeg ik vlot toestemming om met Jet te gaan vluchten met de uitdrukkelijke belofte, dat ik haar dochter nooit in de steek zou laten. Ik verzekerde haar, dat wij altijd bij elkaar zouden blijven.

Hierop hebben wij ons terstond met de kapper in verbinding gesteld en hij heeft toen de man benaderd, waarover hij eerder had gesproken. Dit gebeurde op 13 juli 1942. Een dag later verscheen de bewuste man en hij deelde ons mede, dat hij ons wilde helpen bij de passage van de Nederlands-Belgische grens. Voor het risico, dat hij nam, wilde hij wel betaald worden. Hij verdiende zijn brood als paardensmokkelaar en wist dus goed de weg om ongezien over de grens te komen. Wij kwamen een bedrag overeen en hij deelde ons tenslotte mede, dat wij op 15 juli om 12.00 uur zouden vertrekken.

Zoals eerder vermeld woonde ik in Tilburg op kamers en moest nog wat kleding, ondergoed en toiletartikelen ophalen alvorens te vertrekken. Leen, een heel goede vriendin van Jet werd ingeschakeld en zij is meteen afgereisd naar Tilburg om een en ander voor mij op te halen. Tevens ging zij aan de familie vertellen, dat ik niet meer terug zou komen. Veel kleren konden wij niet meenemen, omdat we niet van koffers gebruik konden maken, want dat zou teveel opvallen.

 

Aanvang van de vlucht op 15 juli 1942: 

Afgesproken was, dat wij onze passeur (zo werd iemand genoemd, die joden en niet-joden over de grenzen hielp en hen eventueel verder bracht naar de plaats van bestemming) om 12.00 uur zouden ontmoeten bij de bushalte op de markt in Ginneken, een stadsgedeelte van Breda. Het afscheid van de moeder van Jet was verre van prettig, want wij moesten haar tenslotte alleen achterlaten. Zij wilde namelijk niet weg, niet onderduiken, omdat ze nog steeds hoopte, dat haar man toch nog naar huis zou komen. Verder woonde er nog een broer van Jet in Amsterdam en deze wist niet, dat wij zouden gaan vluchten. Ook mijn familie was hiervan niet op de hoogte. Het lag in de bedoeling, dat wij via België, Frankrijk, Spanje en Portugal naar Engeland zouden trachten te komen. Ik wilde mij bij de strijdkrachten in Engeland gaan voegen, omdat ik volgens de Nederlandse wetten nog steeds dienstplichtig was. Wat Jet in Engeland zou gaan doen, zou wel blijken, wanneer wij er eenmaal waren. We wisten toen nog niet, dat we Engeland nooit zouden bereiken.

Enfin we gingen vanzelfsprekend op tijd te voet naar de markt in Ginneken. Leen vergezelde Jet tot daar en op de markt wachtte de passeur ons reeds op. Het lag in de bedoeling, dat we vanaf deze plaats per bus naar Baarle Nassau zouden reizen en van daaruit per fiets door de landbouwvelden de grens over zouden steken. Alles geschiedde volgens plan en eenmaal de grens over werden we naar een cafeetje gebracht om op aansluiting te wachten. Het duurde niet al te lang, voordat de volgende passeur kwam opdagen en hij vertelde ons, dat hij ons via Turnhout naar Brussel zou brengen, waar we op verder contact dienden te wachten. Voordat we vertrokken moest er opnieuw betaald worden. In Breda waren we de eerste passeur overeengekomen, dat het bedrag, dat we aan hem moesten betalen voor de gehele reis zou gelden. Vergeet het maar we moesten de tweede passeur opnieuw betalen. En wat doe je dan, je betaalt, omdat je leven ervan afhangt en zolang je geld hebt, dok je maar.

Via Turnhout reisden we met de bus naar Antwerpen en verder met de trein naar Brussel. In Brussel aangekomen, bracht de passeur ons naar een café in een achteraf gelegen buurt, waar we door de waardin werden ontvangen. Zij deelde ons mee, dat wij hier moesten wachten, totdat iemand contact met ons op zou nemen.  De waardin bracht ons naar een kamer boven het café en de verzorging wat eten en drinken betrof was goed. We waren uiteindelijk gedwongen daar een week te blijven. Overdag gingen we een eindje wandelen om wat frisse lucht te happen, maar dat was snel afgelopen. Op een morgen liepen we een eindje en opeens zag ik twee kerels afkomstig uit Tilburg en lid van de N.S.B. lk kende deze kerels, omdat tegenover het adres, waar ik in Tilburg had gewoond het kringhuis van de N.S.B. was gevestigd en ik dus regelmatig N.S.B.-ers het huis had zien betreden. Wij zijn dus snel naar het café teruggegaan en we hebben ons verder niet meer op straat durven begeven.

Een dag later hoorden we buiten iemand fluiten en dat was een bekend fluitje voor ons. Eerst wilden we ons niet laten zien, maar door het bekende fluitje dachten we, dat we geen gevaar zouden lopen, als we contact opnamen. Bovendien had de waardin ons verteld, dat er iemand was geweest om naar ons te informeren. We waren toen niet aanwezig. Het bleek een zekere heer Rubens uit Amsterdam te zijn, die ik kende. Hij had op een of andere manier vernomen, dat wij in dit café verbleven. Hijzelf was met zijn vader en zijn zuster eveneens in Brussel, waar zij ook op verder vervoer moesten wachten.

Hij vertelde ons, dat in Brussel ook een zekere dokter van Goor uit Tilburg aanwezig was. Deze dokter had relaties, waardoor we vanuit Brussel regelrecht per trein naar de Zwitserse grens gebracht konden worden; echter de prijs was dermate hoog, dat we dat niet konden betalen. Bovendien lag het niet in onze bedoeling naar Zwitserland te gaan. Ook de heer Rubens en zijn familie zijn niet op het bovengenoemde aanbod ingegaan en hebben evenals wij op verder contact gewacht. Het duurde weer een week tot het volgende contact. Deze keer was het een vrouw. Zij zou ons verder begeleiden op onze vlucht naar onbezet Frankrijk. Ze nam ons mee en bracht ons naar een plaats, waar we ongeveer 30 Belgische officieren en ook de familie Rubens aantroffen. Gezamenlijk zouden we verder zuidwaarts trekken. In Brussel namen we de trein richting Belgisch/Franse grens. Opvallend was, dat ons geen geld werd gevraagd voor verder vervoer en het was ons tevens een raadsel, hoe wij in dit gezelschap terecht waren gekomen. Wel hadden we intussen vertrouwen gekregen in deze vrouw temeer daar zij zich ontfermde over Belgische officieren. Van deze Belgische officieren vernamen wij, dat deze vrouw behoorde tot de Franse contraspionage en verbonden was aan het “Deuxième Bureau”. Dat was de Franse contraspionage. ln de buurt van de Frans/Belgische grens verlieten wij de trein om deze grens te voet te passeren. De passeuse vertelde ons, dat we niet bang hoefden te zijn. We konden gewoon langs de douane aan beide zijden van de grens lopen en ons zou niets in de weg worden gelegd. De heer Rubens senior had nogal wat geld bij zich en vroeg ons of wij bereid waren een gedeelte van zijn geld de grens over te smokkelen. Onervaren als wij waren, gingen wij hiermee accoord, niet beseffende, dat we moeilijkheden zouden kunnen krijgen, als wij toevallig gevisiteerd zouden worden. Gelukkig is dit niet gebeurd en eenmaal over de grens hebben we het geld snel terug gegeven. In de dichtstbijzijnde plaats namen we de trein naar Parijs, waar we één nacht zouden overnachten.

De reis naar Parijs verliep verder ongestoord en eenmaal in Parijs aangekomen, werden we naar een hotel gebracht, waar de schrik ons om het hart sloeg. We zagen niets anders dan Duitsers in en uit lopen. Moesten wij hier logeren? Ja, dat moesten wij en toen we onze passeuse vroegen, waarom ze dat hotel had uitgekozen, antwoordde zij ons, dat je het best in het hol van de leeuw kon zitten, want dan had je de minste kans gecontroleerd te worden. We hebben inderdaad geen moeilijkheden ondervonden en konden de volgende morgen onze reis voortzetten. We togen naar het Gare du Sud en gingen met de trein zuidwaarts tot aan de demarcatielijn, de grens tussen bezet en onbezet Frankrijk. Toen we vlak bij de demarcatielijn bij een klein station uitstapten, stonden daar op een perron aan de overkant diverse Duitse officieren op een aansluiting te wachten. Ze zagen ons en wij hoorden toen de volgende opmerking “Er zijn hier een aantal mensen, die de ster niet wensen te dragen”. We zaten in onze piepzak, dat ze maatregelen zouden nemen, maar gelukkig lieten ze ons met rust. We verlieten het station en werden door onze passeuse naar een bos gebracht, waar we ons voorlopig schuil moesten houden. Goed en wel in het bos werden we opgeschrikt door gehuil van kinderen en onze passeuse ging op verkenning uit. Al gauw bleek, dat er in het bos ongeveer 50 mensen aanwezig waren, die door hun passeur in de steek waren gelaten. Ze wisten zich geen raad, hoe ze verder moesten komen. Het waren vluchtelingen hoofdzakelijk uit Oost-Europa. Onze passeuse wilde zich eveneens over deze mensen ontfermen. Dit stuitte in eerste instantie op verzet van de Belgische officieren; ze vonden namelijk, dat de groep dan veel te groot zou worden. Met veel overredingskracht heeft zij tenslotte gedaan gekregen, dat deze mensen met ons mee zouden gaan tot over de demarcatielijn.

En nu maar wachten, wat er verder zou gaan gebeuren. De demarcatielijn werd hier gevormd door een rivier, genaamd le Cher. Deze moesten we oversteken om in onbezet Frankrijk te geraken. Langs deze rivier werd op bepaalde tijden controle uitgeoefend door Duitse patrouilles en wij hielden de tijden, dat deze patrouilles passeerden nauwkeurig in de gaten. Verder was onze passeuse, madame Luisette gedurende de volgende uren veel afwezig. Deze tijd had zij nodig om de overtocht over de rivier te regelen. De hele dag hebben wij in spanning doorgebracht in afwachting of het haar zou lukken ons over te brengen. Toen het eenmaal donker was, moesten we ons gereed maken voor vertrek, d.w.z. dat we één rij achter elkaar moesten vormen. Nu bleek pas goed, hoe een en ander was voorbereid. Het hele dorp was ingeschakeld. We moesten dicht langs de huizen lopen en mochten absoluut niet tegen elkaar spreken. Bij de rivier aangekomen, zagen wij, dat over de rivier een touw gespannen was tussen de twee oevers. Langs dit touw moesten we de rivier te voet passeren en ons werd aangeraden onze tassen boven ons hoofd te houden.

De ongeveer 50 Oost-Europese joden trokken met ons mee en de families, die kinderen hadden, namen de kleintjes op hun schouders, want de rivier was te diep om daar kleine kinderen door te laten waden. Ook de oudere mensen onder hen hadden het erg moeilijk om door het water te lopen. Enkelen bleven midden in de rivier staan met de mededeling, dat zij niet verder konden. Een aantal Belgische officieren hebben hen toen op hun rug genomen en naar de overkant gebracht. We hebben geen patrouille gezien of gehoord bij onze overtocht en hadden het vermoeden, dat de Duitsers door Luisette waren omgekocht. Goed en wel aan de overkant, dus in onbezet Frankrijk waren we van mening, dat het grootste leed nu was geleden. We waren immers in onbezet Frankrijk, maar we hadden het mis, want de ellende begon nu pas. De passeuse moest ons mededelen, dat zij er verder niet voor kon zorgen, dat wij naar de Spaanse grens gebracht zouden worden. Er was iets misgelopen, maar zij vertelde ons niet wat er aan de hand was. We moesten vanaf nu zelf verder zien te komen. De passeuse raadde ons aan naar een opvangkamp te gaan, wat niet ver uit de buurt lag. Dit werd ook aan de Oost-Europese joden meegedeeld. De Belgische officieren verlieten ons en wij hebben verder nooit meer wat van hen vernomen. We hebben wel veel later het trieste bericht ontvangen, dat madame Luisette op een volgende reis met Belgische officieren is gearresteerd en door de Duitsers per plaatse ter dood is gebracht.

Daar stonden we dan met de familie Rubens en na overleg besloten we een taxi naar het kamp te nemen en ons daar aan te melden. Toen we echter in de nabijheid van het kamp kwamen, stond dit ons niet aan en besloten we er toch maar niet heen te gaan. We hadden de taxi laten wachten en lieten ons vervolgens met deze taxi naar Luchon brengen om van daaruit met de trein naar Lyon te reizen. Dit advies kwam van de heer Rubens en bleek later een goed advies te zijn. We namen de eerstvolgende nachttrein naar Lyon, waar we de volgende morgen arriveerden zonder, dat er zich gedurende de reis strubbelingen hadden voorgedaan.

De familie Rubens wist, dat er in Lyon een “Office Neerlandaise” was, gesitueerd binnen het Zweedse consulaat. Het Zweedse consulaat nam in Lyon de belangen waar voor de Nederlandse regering in ballingschap; vandaar, dat er binnen dit consulaat een “Office Neerlandaise” gevestigd was met Nederlands personeel, eveneens vluchtelingen. Aan het hoofd van deze afdeling stond de heer Sally Noach, die werd geassisteerd door twee van zijn broers. Door hen werdén wij ontvangen en wij zouden de komende weken vooral met deze Sally Noach te maken krijgen. Op onze vlucht vanuit Nederland waren we in het bezit gekomen van valse papieren, waarop we Belgische namen hadden aangenomen. Eenmaal in Lyon, dus in onbezet Frankrijk waren we van mening, dat we nu onze eigen namen weer konden vermelden, waar we later veel spijt van zouden krijgen. Allemaal onkunde, maar op het “Office Neerlandaise” gaven we onze juiste namen op en kregen we nieuwe papieren. Vanzelfsprekend informeerden we daar terstond naar een manier om naar Engeland te komen, maar dat zat er voorlopig niet in en als we toch wilden, moesten we maar wachten tot er zich een gelegenheid zou voordoen.

Op het “Office Neerlandaise” waren we in aanraking gekomen met Hannie en Jaap de Jong, een familie uit Nijmegen. Ze werden aan ons voorgesteld door Sally Noach, omdat hij van mening was, dat wij goed bij elkaar pasten. Op onze verdere vlucht zouden wij bij elkaar blijven in tegenstelling tot de familie Rubens, die afscheid van ons namen in Lyon en vonden, dat wij nu onze eigen boontjes verder moesten doppen. Tot aan Lyon hebben wij veel aan deze familie gehad; anders waren we misschien toch naar het kamp gegaan, waarvan ik eerder melding maakte. We waren dan waarschijnlijk nooit in Lyon terecht gekomen.

Op het “Office Neerlandaise” kregen we het adres van een hotel, dat niet te duur was. We hadden niet zoveel geld meer over en moesten het zeer zuinig aan doen. Bovendien hadden Hannie en Jaap de Jong ook niet veel geld meer. Ze waren uit bittere armoede naar Lyon gekomen. Ze waren met de ouders en een zuster van Hannie in de buurt van Bordeaux door hun passeur in de steek gelaten, nadat deze passeur zich van bijna al hun geld voorzien had. De ouders en zuster van Hannie zijn daarop naar Nederland teruggekeerd, omdat zij het niet meer zagen zitten, mede door geldgebrek. Hannie en Jaap wilden echter toch proberen nog verder te komen en zijn toen naar Lyon gereisd. We namen dus onze intrek in dat hotel alleen om er te slapen. We hadden tevens een adres gekregen van een joods restaurant, waar we een middagmaal konden bestellen tegen een zeer redelijke prijs. We hadden daarvoor bonnen nodig, maar hoe we daaraan gekomen zijn, is mij ontschoten. In ieder geval bezaten wij deze bonnen en konden dus iedere dag voor weinig geld een warme maaltijd gebruiken. We verbleven enige nachten in het hotel, toen we op een nacht schrokken van geklop op onze kamerdeur. Wij uit ons bed en na het openen van de deur zagen wij daar een paar politieambtenaren staan, die ons vertelden, dat we mee moesten komen. Niet alleen wij, maar alle vluchtelingen, die in het hotel vertoefden, moesten zich evenals wij snel aankleden en meegaan.

We werden door deze politie naar de gevangenis “St. Jean” in Lyon gebracht. Waarom werd ons niet meegedeeld. Wel bleek deze politie deel uit te maken van de zogenaamde “Vichy-politie”, ressorterende onder een zekere Laval. Dit was een handlanger van de Duitsers, die in onbezet Frankrijk samen met maarschalk Pétain de dienst uitmaakte. Eén van Lavals doelstellingen was jacht maken op vluchtelingen en dan speciaal op joden, om vooral Oost-Europese joden te arresteren en hen op te sluiten in één van de twee daarvoor bestemde kampen. Later is komen vast te staan, dat je deze kampen kon vergelijken met het Nederlandse kamp “Westerbork” van waaruit joden werden gedeporteerd naar de vernietingskampen, zoals Auschwitz en Sobibor. Op het moment, dat wij gearresteerd werden, wisten we echter niet, wat ons te wachten stond. Aangekomen in de gevangenis moesten we op de binnenplaats gaan staan. Gelukkig stopte ze ons niet in cellen. Dat zou verschrikkelijk zijn geweest, want ik heb nog nooit zo’n troep gezien, als in die cellen. Het ongedierte kroop langs de muren omhoog en op de grond lag wat stro, waarop de gevangenen konden slapen. Het was verschrikkelijk om aan te zien. We hadden vreselijke angst om hetgeen met ons zou gaan gebeuren. We waren namelijk niet naar “onbezet Frankrijk” gegaan om in de gevangenis gegooid te worden. Tot de volgende middag hebben we op de binnenplaats gestaan zonder, dat er wat gebeurde.

Toen verscheen Sally Noach namens het Zweedse consulaat en tot onze grote opluchting mochten we met hem de gevangenis verlaten. Wij gingen met hem op weg naar het Zweedse consulaat. Onderweg vertelde hij ons, dat onze arrestatie op een vergissing had berust. De Nederlandse vluchtelingen hadden ze met rust moeten laten. Goedgelovig als wij waren, namen we dit aan voor zoete koek en gingen dus met Hannie en Jaap terug naar ons hotel. Intussen hadden wij bij Sally Noach opnieuw geïnformeerd naar de mogelijkheid om verder te komen, maar er was nog geen enkel uitzicht hierop. Dus maar weer afwachten, zeer mistroostig, maar er zat niets anders op.

Na een paar dagen was het weer zover. Opnieuw werden we op een nacht door de politie gearresteerd en moesten we weer mee naar de gevangenis. Ditmaal was het verblijf in de bajes van niet al te lange tijd, want ’s morgens vroeg werden we opnieuw bevrijd door Sally Noach. Op dat moment hadden we maatregelen moeten nemen om Lyon te verlaten, maar we deden dit niet, omdat we niet wisten, waarheen we zouden moeten gaan. Dus gingen we met onze stomme koppen weer terug naar het hotel, waar we tot dat moment verbleven. Achteraf bleek, dat ook uit andere hotels vluchtelingen waren gearresteerd. Al gauw zou namelijk blijken, dat diverse hotelhouders samen werkten met de Vichy-politie en onze namen verstrekten aan deze politie. Enige dagen werden we met rust gelaten, maar op een nacht werden we opnieuw opgeschrikt door hevig kloppen op onze kamerdeur met het geroep van : “kamer open doen, snel, snel”. Wij deden de deur open en de politieambtenaren renden onze kamer binnen. We kregen nauwelijks de gelegenheid om ons aan te kleden en toen Jet vroeg of zij zich alleen mocht aankleden, werd dit geweigerd en bleven zij erbij. Wij weer op weg naar de gevangenis, waarbij ons onderweg kenbaar werd gemaakt, dat we niet angstig hoefden te zijn, als we maar geen joden waren. Waren we dat wel, dan werden we een kopje kleiner gemaakt. Deze keer vernamen we waarom we werden gearresteerd. Pétain zou een bezoek aan Lyon brengen. Ter bescherming van hem werden alle terroristen, communisten en vluchtelingen in hechtenis genomen. Echter met joden, die gearresteerd werden, hadden ze iets anders voor. Dit lieten ze ons duidelijk blijken.

Eenmaal weer op de binnenplaats in de gevangenis moesten we maar weer afwachten, wat er met ons zou gaan gebeuren. Vroeg in de morgen werd er een tafel op de binnenplaats gezet en een poosje later verscheen er een kerel, waarvan later bleek, dat hij een commissaris van politie was, die namens de Vichy-regering ging bepalen, wat er verder met de gearresteerden zou gaan gebeuren. Iedereen moest voor hem verschijnen aan tafel en nadat hij een aantal vragen had gesteld, zond hij hem of haar naar de rechter of linkerzijde van de binnenplaats. Al snel bleek, dat één kant van de binnenplaats de verkeerde was, d.w.z. dat je voor verder onderzoek in aanmerking zou komen.

Toen ik aan de beurt kwam, was het snel gebeurd. Mijn naam zegt in Frankrijk niets en hij kon er niet uit opmaken, dat ik een jood was. Hij noemde mij “Stopkopèr” , vroeg mij verder niets en zond mij naar ik meende naar de goede kant. Toen kwam Jet aan de beurt en prompt zei hij in het Frans : “uw naam is een joodse”. Gelukkig bleef Jet uiterlijk rustig en antwoordde hem, dat het wel zo kon zijn, maar in Holland wil dit niets zeggen. Er wonen in Holland veel protestanten, die Cohen heten. Hij keek haar eens aan met een schamper lachje, maar zond haar gelukkig naar de goede kant.

Toen iedereen was ondervraagd en wij dachten, dat we de vrijheid tegemoet konden gaan, werden we naar bussen gebracht, die ons daarna naar een fort buiten Lyon vervoerden. Daar werden we gedetineerd, totdat het bezoek van Pétain aan Lyon voorbij was. Al met al hebben we vier dagen en nachten gevangen gezeten, waarbij ik moet zeggen, dat de verzorging behoorlijk was. We kregen er dekens, sliepen op een grote zaal en kregen vrij goede maaltijden. We hoorden, dat deze maaltijden afkomstig waren van een ondergrondse communistische beweging. Wat ervan waar was, laat ik in het midden, omdat uitspraken van sommige Fransen niet altijd op waarheid berusten. Toen de vier dagen en nachten voorbij waren, kregen we te horen, dat er lijsten zouden komen, waarop aangegeven stond, wat er verder ging gebeuren. Het bleek, dat niet iedereen vrij zou komen. Opnieuw zou er een schifting plaatsvinden. Die lijsten kwamen er inderdaad en de schifting vond plaats. Gelukkig kregen wij te horen, dat we onze gang konden gaan. Door een medegevangene werd ons gevraagd, of we met hem per auto terug naar Lyon wilden rijden. Wij besloten echter om te voet terug te keren. We wisten namelijk niet met wat voor figuur wij te doen hadden en je werd hoe langer hoe meer wantrouwend.

We zijn tenslotte met de tram naar Lyon teruggegaan en we hebben ons daarna direct gemeld op het “Office Neerlandaise”. Daar kregen wij te horen, dat we moesten zorgen uit Lyon weg te komen, want indien we weer opgepakt zouden worden, konden zij niets meer voor ons doen en zouden we naar een kamp gebracht worden om van daaruit gedeporteerd te worden. We kregen advies om te trachten naar Zwitserland te geraken en daarmee was ons voornemen om naar Engeland te ontkomen van de baan. 

We hebben toen overleg gepleegd met Hannie en Jaap de Jong en besloten toen met z’n vieren de volgende dag naar Zwitserland trachten te komen. Op het “Office” hadden we het adres van een joodse familie in Genève gekregen. Verder vertelde men ons, dat wij ons niet bij het Nederlandse consulaat in Genève moesten melden, want dit consulaat stelde terstond na aankomst de Zwitserse politie in kennis met als gevolg, dat je grote kans liep door de Zwitserse politie gerefouleerd (terug over de grens gestuurd) te worden naar Frankrijk, waar je dan in handen van de Vichy-politie terecht zou komen. Van deze politie hadden wij de buik vol. Gezegd moet worden, dat de Fransen in bezet gebied veel hulpzamer waren, dan die in onbezet gebied.

Verder werd ons aangeraden met de trein naar Annecy te reizen en vandaar met de bus de bergen in te trekken. Wij gingen nog eenmaal terug naar het hotel, waar wij nog één nacht dienden door te brengen om daarna zo vroeg mogelijk met de trein naar Annecy te reizen. De reis naar Annecy is vlot verlopen, hoewel we erg gespannen waren. De mogelijkheid van controle in de trein was beslist niet uitgesloten met de kans opnieuw in handen van de Vichy-politie te vallen. Na alles wat wij de afgelopen zes weken hadden meegemaakt, was dit niet in onze koude kleren gaan zitten en we waren erg nerveus en geprikkeld. Tot ons geluk bleven wij verschoond van enige controle en bereikten een paar uur later Annecy.

Eenmaal buiten het station gingen we op zoek naar een busverbinding richting Zwitserse grens. We namen de bus richting Abbé du Pommier midden in de Franse Jura. Ook deze reis verliep zonder moeilijkheden. Daar aangekomen zijn we te voet in noordelijke richting gegaan. Het was gemakkelijker gezegd, dan gedaan. Bij het passeren van de rivier de Cher waren de zolen van de schoenen van Jet losgeweekt. Ze had de schoenen in Lyon laten repareren, maar in plaats van leren zalen had de schoenmaker er houten zolen onder gezet, waardoor ze gekrompen waren. Het was zeer onaangenaam om met houten zolen over de bergen te lopen met als gevolg, dat Jet haar voeten stuk liep. Erg vervelend en pijnlijk, maar we moesten toch verder. Andere schoenen kon ze niet aandoen, want die hadden wij niet bij ons. We hadden namelijk zo weinig mogelijk bagage bij ons, toen we uit Nederland vertrokken om niet te veel ballast bij ons te hebben.  Tijdens onze tocht in de bergen richting Zwitserland werden we op een gegeven moment aangeroepen door twee houthakkers, die ons meteen voor vluchtelingen aanzagen en ons vroegen, waar we heen wilden. ‘Ne ontkenden in eerste instantie, dat we vluchtelingen waren, maar wanneer je midden in de zomer in winterkleding loopt, dan kan iedereen zien, dat er wat bijzonders aan de hand is. Vandaar, dat we niet konden blijven ontkennen, dat we vluchtelingen waren en wellicht konden we misschien van die zijde wat hulp verwachten. Dus maar weer overgegeven aan vreemden en kijken, wat ons lot zou zijn. Gelukkig bleken het toffe kerels te zijn en wij werden uitgenodigd bij hen te komen eten.

We kregen een broodmaaltijd en wij konden de komende nacht in de hooiberg doorbrengen. Omdat we doodmoe waren en ook wel honger hadden, werd dit aanbod gaarne geaccepteerd en uit verdere gesprekken met die mannen bleek, dat ze behoorden tot de Franse ondergrondse beweging, de “Maquis”. Afgesproken werd, dat één der beide mannen ons de volgende morgen naar een café in de buurt zou brengen, waar we de hele dag moesten blijven, totdat het schemerig werd. Dan zou hij met een vriend terugkomen om ons naar de Frans/Zwitserse grens te brengen. Op onze vraag, wat voor kosten daaraan verbonden waren, werd ons geantwoord, dat het in principe niets kostte. Wel werd gevraagd om eem kleine bijdrage te geven voor een vriend van één dezer mannen, die wel wat geld kon gebruiken, omdat hij financiële problemen had. Maar al te graag wilden wij iets geven, hoewel ons budget aardig geslonken was. We hadden niet veel geld meer over, want op de eerste plaats had de vlucht tot Lyon veel meer geld gekost, dan wij verwacht hadden en op de tweede plaats had ons 6-weekse verblijf in Lyon nogal wat van onze financiën gevergd. De volgende morgen bracht één van beide mannen ons inderdaad naar een cafeetje in de buurt en opnieuw was het wachten geblazen. Opnieuw was het wachten tot de schemering en opnieuw een dag van grote spanning. Hoewel we toch wel vertrouwen hadden in de aan ons gedane belofte is een hele dag wachten zeer spannend en we moesten toch maar hopen, dat ons vertrouwen gerechtvaardigd was.

Onderweg hadden we al zoveel gehoord van verraad en oplichting, dat we daar onwillekeurig toch rekening mee hielden. Iedereen kan je wel mooie verhalen vertellen om tenslotte, nadat je alles geloofd hebt tot de conclusie te komen, dat alles toch weer een vorm van misleiding was. Ook de geprikkeldheid tussen ons vieren nam toe; de één zeurde om een sigaret, terwijl de andere behoefte had aan een appeltje. Het werd tijd, dat het avond werd om enige actie te ondernemen. Eindelijk tegen schemering verschenen beide mannen, wat een grote opluchting voor ons was. Nu zou de laatste tocht beginnen met als doel het passeren van de Frans/Zwitserse grens, waarna wij ons op vrije bodem zouden begeven, als alles goed liep.

Voordat we vertrokken, kregen we een aantal instructies hoe we verder moesten handelen, wanneer wij aan de grens waren. Deze grens bestond namelijk uit een spoorlijn, die we moesten oversteken. De kans bestond, dat we bij het passeren van die spoorlijn aangeroepen zouden worden om te stoppen, maar daar mochten wij ons niets van aantrekken en we dienden heel snel door te lopen tot aan het bos aan de overkant van de spoorlijn. Eenmaal in het bos moesten we rechtuit lopen in noordelijke richting. Hierna gingen we op weg. Eén van de mannen voorop, daarna wij met z’n vieren achter elkaar en tenslotte de tweede man. Alles ging vrij snel in zijn werk en na korte tijd kwamen we bij de spoorlijn. Hier namen de beide mannen, nadat we ze bedankt hadden voor hun goede hulp afscheid van ons met de mededeling, dat we nu snel dienden te handelen. Nogmaals werden we er op attent gemaakt, dat wij bij geroep hieraan geen aandacht moesten vestigen en snel moesten doorlopen. En nu in looppas over de spoorlijn. Inderdaad werden we aangeroepen om te stoppen, maar daar gaven we geen gehoor aan en liepen nog sneller naar de overkant. Toen we de spoorlijn gepasseerd waren, kwamen we, zoals door onze beide passeurs verteld was in een bos terecht. Nu was het zaak om in noordelijke richting verder te gaan en niet in een kringetje rond te lopen. Het oriënteren in een donker bos is niet eenvoudig, maar het lukte ons toch in noordelijke richting te blijven lopen. Tenslotte kwamen we aan de rand van het bos en zagen toen overal lichten branden. Op dat moment vielen we elkaar uit blijdschap in de armen en konden we slechts met heel veel moeite onze tranen bedwingen. We waren onder het Duitse juk vandaan en hoefden ook geen vrees meer te hebben voor hun handlangers.

Het was inmiddels elf uur ’s avonds geworden en het was nu de bedoeling om het adres van de familie Fischer in Genève, dat we in Lyon hadden gekregen te vinden. We bevonden ons in een voorstadje van Genève, genaamd Croix Rouge. Op een plein zagen we een tram staan en wij vroegen, of deze tram nog naar de binnenstad van Genève ging. Dit was het geval en wij gingen dus met deze tram mee. Hoe wij aan Zwitsers geld zijn gekomen, kan ik mij niet meer herinneren, waarschijnlijk hadden wij onze laatste Franse francs in het cafeetje omgewisseld. In ieder geval hadden we Zwitsers geld om het vervoer per tram te kunnen betalen. Hannie en Jaap de Jong hadden een ander adres in Genève gekregen en we namen voorlopig afscheid van hen. In de tram vroegen we aan de conducteur, of hij het adres kende, dat wij gekregen hadden. Hij kende dit adres en zou ons waarschuwen, waar wij uit moesten stappen en hij vertelde ons hoe we verder moesten lopen. Aldus geschiedde en we gingen op weg naar het huis van de familie Fischer. Het was inmiddels bijna middernacht geworden en wij vonden het toch vervelend om op die tijd nog bij de genoemde familie aan te kloppen. We hadden echter geen andere keus. Wij trokken de stoute schoenen aan en bereikten vrij snel de woning.

Met lood in onze schoenen belden we aan en na enig wachten werd de deur door een oude heer, die later de heer Fischer bleek te zijn, geopend. We vertelden hem, wie we waren en wat we kwamen doen. Inmiddels was zijn vrouw er ook bijgekomen. Wij verontschuldigden ons nogmaals, dat het zo laat was, maar we zeiden ook, dat we niet anders konden. Nadat we ons verhaal verteld hadden, vertelden ze ons, dat ze geen vluchtelingen mochten binnenlaten. Het was de Zwitsers namelijk verboden om onderdak te verschaffen aan vluchtelingen. We vertelden, dat we nergens anders terecht konden en werden uiteindelijk toch binnengelaten. Mevrouw Fischer ging een koffiemaaltijd voor ons verzorgen en daar hadden wij grote behoefte aan. We hadden de paar laatste dagen erg weinig gegeten en gedronken. Toen we één en ander hadden genuttigd, zei de familie Fischer ons, dat we niet konden blijven en dat we maar naar de wachtkamer van het station moesten gaan en daar de rest van de nacht moesten doorbrengen, totdat we de volgende morgen de eerste trein naar Bern konden nemen. Dit vonden we niet prettig, want de mogelijkheid was niet uitgesloten, dat we ’s nachts door de politie werden opgemerkt met als gevolg een arrestatie wegens het illegaal betreden van Zwitsers grondgebied en de mogelijkheid terug gestuurd te worden naar het land, waar we vandaan kwamen en dan zou alles voor niets zijn geweest. We hebben hen dit duidelijk gemaakt, voornamelijk aan de heer Fischer, mevrouw Fischer sprak geen woord Duits, haar man vertaalde alles in het Frans en toen kregen zij medelijden met ons. Omdat wij al zoveel narigheid achter de rug hadden, besloten zij éénmaal een uitzondering te maken en wij konden bij hen de nacht doorbrengen. Dit was een grote opluchting voor Jet en mij. Wel zeiden ze ons nog, dat we de volgende morgen met de eerste trein naar Bern moesten vertrekken, want zij wensten beslist geen moeilijkheden te krijgen door ons langer verblijf toe te staan. Wij hadden hier het volste begrip voor, want als zij betrapt zouden worden voor het feit, dat zij onderdak hadden verschaft aan vluchtelingen, zouden ze hiervoor bestraft worden.

Zo goed en kwaad als het ging, hebben ze toen twee slaapplaatsen voor ons verzorgd. We zijn snel naar bed gegaan en ondanks alle emoties, die we in de afgelopen tijd meegemaakt hadden, vielen we toch snel in slaap, vermoedelijk van vermoeidheid. De volgende morgen werden we om vijf uur gewekt en nadat we een ontbijt hadden genuttigd, bracht de heer Fischer ons naar het station in Genève. Daar kocht hij twee kaartjes voor ons, die we hem terugbetaalden en wij namen daar afscheid van hem, wat we reeds gedaan hadden bij mevrouw Fischer , toen we naar het station gingen. We bedankten hem nogmaals voor de buitengewone gastvrije ontvangst, welke we hadden genoten tijdens het korte oponthoud bij hun thuis.

We vertrokken daarna met de trein richting Bern, waar we ons zouden gaan melden bij de Nederlandse ambassade. Toch waren we nog niet geheel buiten gevaar, want gedurende de reis van Genève naar Bern, die ongeveer twee uur duurde, was het niet uitgesloten, dat er controle werd uitgeoefend. De Zwitserse politie controleerde nogal eens treinpassagiers om na te gaan, of er geen vluchtelingen in de trein zaten. Opnieuw hadden we geluk, geen controle en om ongeveer acht uur reed de trein het station van Bern binnen. Bij de uitgang troffen we Hannie en Jaap, die ook vroeg opgetrommeld waren om naar Bern te gaan. Het was nog te vroeg om naar de Nederlandse ambassade te gaan, want die ging pas om negen uur open. We gingen onze financiën na en besloten toen, nadat we alle weelde in de diverse tearooms hadden gezien ergens binnen te stappen en daar van ons laatste geld chocolademelk te drinken en daarbij een gebakje te eten. Wij informeerden naar de straat, waar de Nederlandse ambassade zetelde en toen het tegen negen uur liep, gingen we op weg naar de ambassade. We liepen nog een tijdje langs de winkels in de buurt van het station en we bereikten klokslag negen uur het gezantschap, waar we ons gingen melden bij Hare Majesteits gezant.

 

Ons verblijf in Zwitserland : 

Op het gezantschap werden we niet ontvangen door de gezant, maar door één van zijn medewerkers, de heer Jhr. Quarles van Ufford. Een bijzonder aardige vertegenwoordiger van de Nederlandse regering in ballingschap.Hij liet zich het hele verhaal van onze vlucht vertellen, waarbij wij hem een en ander uitvoerig uiteenzetten en hem op één zaak na de volledige juistheid van onze vlucht vertelden. Ik vertelde hem namelijk, dat we getrouwd waren en wel om de volgende reden. Wij hadden vernomen, dat ongetrouwde stellen werden gescheiden; het mannelijk gedeelte werd dan naar een werkkamp gestuurd. Ik wilde Jet niet alleen laten en voelde niets voor een werkkamp, vandaar deze leugen. Ik was van plan om op een later tijdstip wel de waarheid te vertellen. We waren namelijk van plan in Zwitserland te gaan trouwen; later kom ik hierop terug. Nadat wij allerlei gegevens over onszelf hadden verteld, werd ons medegedeeld, dat de ambassade ons bij de politie in Bern zou aangeven, maar we hoefden niet bang te zijn, dat we alsnog teruggezonden zouden worden. De ambassade stond borg voor ons. We werden naar een hotel in de stad verwezen, waar we voorlopig dienden te blijven en daar zouden we meerdere vluchtelingen aantreffen. Bovendien dienden we er rekening mee te houden, dat we door de Zwitserse politie voor verhoor zouden worden opgehaald en naar het politiebureau gebracht zouden warden.

Reeds de volgende morgen werden we inderdaad door een politieambtenaar, de heer Ratgeb voor verhoor opgehaald en naar het politiebureau gebracht. Daar werden we van elkaar gescheiden en moesten wij onafhankelijk van elkaar onze levensverlopen op papier zetten, inclusief het verloop van onze vlucht naar Zwitserland. Daarna werden wij bij de politie in Bern geregistreerd. De ontvangst bij de politie was uitermate vriendelijk. Vermeld dient nog te worden, dat ook in het verhaal aan de politie door beiden vermeld werd, dat wij getrouwd waren. Nadat we een paar uur op het politiebureau hadden doorgebracht, mochten we naar het hotel terugkeren onder de vermelding, dat we van nu af aan ons vrij in Bern konden bewegen. We moesten wel op bepaalde uren in het hotel zijn en we mochten Bern absoluut niet verlaten. Teruggekeerd in het hotel hebben we nader kennis gemaakt met de overige aanwezige vluchtelingen. 

De volgende dag hebben we Bern verkend, een hele mooie plaats met veel bezienswaardigheden. Een week, nadat we op het politiebureau hadden moeten verschijnen, kwam dezelfde politieambtenaar ons opnieuw bezoeken en nodigde ons uit een avondje met hem mee te gaan om ergens wat te gaan drinken. Hij was een bijzonder aardige kerel, maar waarom hij ons uitnodigde, was op dat moment niet erg duidelijk. Op een later tijdstip vernamen wij, dat de bewuste man wel aardig was, maar niet zo integer. Hij was namelijk op staande voet ontslagen wegens illegale handel in diamanten. Met diverse vluchtelingen dreef hij handel en misschien had hij wel gedacht, dat wij ook in het bezit van diamanten waren, vandaar de uitnodiging. Gelukkig hadden wij met deze kwestie niets te maken en hoefden dus niets te vrezen.

Een paar dagen later ontvingen wij via een familie in Zwitserland een droevig bericht. Mijn aanstaande schoonmoeder was namelijk naar Westerbork gebracht en van daaruit gedeporteerd naar een concentratiekamp. Ze was vrijwillig naar Westerbork gegaan, nadat ze van de Joodse Raad in Breda de verzekering had gekregen, dat ze in Westerbork haar echtgenoot zou treffen, die vanuit de gevangenis eveneens naar Westerbork zou komen. Haar echtgenoot verbleef op dat moment in het concentratiekamp Amersfoort. Ze heeft hem uiteindelijk niet in Westerbork aangetroffen en mijn schoonvader is omstreeks oktober/november 1942 in Amersfoort om het leven gekomen. Vooral voor Jet was dit een vreselijk bericht. Zij had nog de hoop, dat haar vader inmiddels was vrijgekomen en dat hij daarna met haar moeder was ondergedoken. Bij ons vertrek uit Nederland had zij geen afscheid kunnen nemen van haar vader en haar broer, die in Amsterdam woonde. Haar moeder was nu ook weg. Geen van allen zouden we ooit terugzien.

Ook mijn moeder was hetzelfde lot beschoren. Op een gegeven moment vernam ik, dat ook zij in Westerbork zat. Via een Joodse instelling in Genève was het mogelijk een Palestina-certificaat te verzorgen en die naar Westerbork te zenden, waardoor zij ‘gesperd’ werd. Ik heb de bescheiden verzorgd, maar later terug ontvangen met de mededeling, dat zij inmiddels op transport was gesteld met alle gevolgen van dien. Wat onszelf betreft, heb ik nog iets vergeten te vermelden, namelijk, dat onze vlucht vanuit Nederland tot onze aankomst in Zwitserland twee maanden heeft geduurd. We zijn 15 juli 1942 uit Nederland vertrokken, hebben een week oponthoud gehad in Brussel en zes weken in Lyon doorgebracht. Op 15 september 1942 arriveerden wij in Bern.

Nu verder over ons verblijf in Zwitserland. Toen we zes weken in Bern hadden vertoefd, werd ons medegedeeld, dat we Bern zouden moeten verlaten. Wat was er de reden van? Zwitserland zou een voetbalwedstrijd spelen tegen Duitsland. Om eventuele moeilijkheden te voorkomen, dienden alle vluchtelingen Bern te verlaten. Zwitserland was wel neutraal, maar kon zich toch niet veroorloven, dat er tijdens, voor of na de voetbalwedstrijd demonstraties op touw werden gezet; vandaar ons vertrek uit Bern. Onder politiebegeleiding werden we per trein naar Montreux gebracht en van daar per “funiculaire” (een bergtreintje) naar Glion, een klein dorp in de bergen op een hoogte van ca 800 meter. Daar werden we opnieuw in een hotel ondergebracht. In dit dorp was een Nederlandse school. Er woonden een aantal Nederlandse gezinnen, waarvan de kinderen op die school les ontvingen. Nu konden de kinderen van vluchtelingengezinnen ook naar deze school voor verder onderricht.

Spoedig kregen we te horen, dat we ook niet lang in Glion zouden blijven, maar nog hogerop zouden gaan naar een hotel in het dorp Caux op 1100 meter. Hier zouden we meer dan een jaar blijven. Tot onze spijt hadden we niets te doen. Als vluchteling mocht je niet werken, uitgezonderd diegenen, die in een boerenbedrijf te werk gesteld wilden worden en diegenen, die bekend waren met de industrie in klokken, horloges enz. Wij waren gedoemd om onze dagen door te brengen met wandelen, skiën in de winter ‘421’43, sporten, lezen. Zonnen in het voorjaar ’43 en meer dergelijke dingen. Vanuit Caux mochten we wel de omgeving bezoeken en we zijn dan ook diverse malen te voet naar Montreux gegaan. Per bergtreintje was dit te duur voor ons, omdat we maar een klein beetje zakgeld ontvingen en ons dit dus niet konden permitteren. Indien we kleding of schoeisel nodig hadden, konden we ons tot de ambassade wenden middels een tussenpersoon in ons hotel, die hiervoor was aangewezen. De reden, dat we in hotels werden geplaatst was, dat gedurende de oorlog het toerisme naar Zwitserland een flinke deuk had gekregen. Veel hotels moesten hun deuren sluiten bij gebrek aan toeristen. Enkele hotels werden door de Nederlandse regering in ballingschap gehuurd om daar vluchtelingen onder te brengen.

Eind 1943 werd ons medegedeeld, dat we opnieuw zouden worden overgeplaatst en wel naar een hotel in Mont Pellerin, een dorp op ongeveer 1000 meter boven Vevey. Vevey ligt tussen Montreux en Lausanne. Dit geschiedde inderdaad, maar nu werden we op een andere basis in het hotel in Mont Pellerin geplaatst. Dit was namelijk een zogenaamd hotelkamp met aan het hoofd ervan een Zwitsers echtpaar, dat de leiding had. Daarnaast was er een vrouwelijk hoofd van de huishouding, alsmede een Zwitserse kok, die twee keer per dag voor de warme maaltijden zorgde. Met ongeveer 200 vluchtelingen zouden we daar de laatste jaren van de oorlog doorbrengen.

Het grote verschil met ons verblijf in de vorige hotels was, dat we vanaf nu diverse werkzaamheden kregen toegewezen. Er werden door de leiding diverse groepen geformeerd, die bepaalde taken kregen toegewezen. Iedere familie moest zijn eigen kamer onderhouden en verder moest de rest van het hotel schoon gehouden worden door onder meer de eerder genoemde groepen.

Toen we arriveerden, deelde de leiding ons mede, dat wij in de keuken zouden worden geplaatst. Zij vonden ons daarvoor de aangewezen personen. Ik had er wel oren naar, ik kookte namelijk graag. Voorlopig was mijn werk echter het behulpzaam zijn van de Zwitserse kok. De keukenploeg bestond uit 16 mannen en vrouwen verdeeld over twee ploegen van ieder 4 mannen en 4 vrouwen. Ik moet zeggen, dat we het met onze collega’s gedurende de rest van het verblijf in de keuken erg gezellig hebben gehad. Het was hard werken, maar gelukkig hadden we nu wat te doen en kwam er een einde aan het stilzitten, waar we tot nu toe waren gedoemd. Bovendien hadden we als keukenpersoneel wel eens een extraatje bij het eten, want het gezegde: “Wie het dichtst bij het vuur zit, warmt zich het best”, ging ook hier op. Allen jammer was het, dat de Zwitserse kok dikwijls de warme maaltijd verknoeide. Hierover hebben wij ons beklag bij de leiding ingediend met als gevolg, dat hij van het toneel verdwenen is en daarna hebben Fritz Frstenberg, een medevluchteling en ik verder voor de maaltijden gezorgd. Dit is zo gebleven, totdat ik opgeroepen werd om drie maanden naar een werkkamp te vertrekken. De reden daarvan was, dat de mannelijke Zwitserse onderdanen ieder jaar voor militaire dienst worden opgeroepen. Behalve de dienstplichtigen moeten ook de reservisten jaarlijks drie maanden opkomen om voldoende geoefend te blijven voor het geval, dat ook Zwitserland zou worden betrokken. De Zwitserse overheid was van mening, dat ook mannelijke vluchtelingen zich voor het land verdienstelijk dienden te maken, vandaar dat er steeds vluchtelingen voor drie maanden naar een werkkamp werden gezonden om daar grondwerkzaamheden te gaan vervullen, wat bestond uit het graven van grond, het vullen van kiepkarretjes met deze grond en daarna diezelfde karretjes voortduwen naar een verzamelplaats, waar de grond werd uitgestort.

Omdat ik in een keuken werkte, was ik hiervan lang vrijgesteld, maar ik moest er uiteindelijk ook aan geloven. Met nog 20 man werd ik voor drie maanden naar een werkkamp in Zuid Zwitserland gezonden. Dit kamp lag ingesloten tussen vier bergen en het was er heel warm. We moesten `s morgens al heel vroeg uit de veren; het was dan nog niet zo warm, want later op de dag was het ondoenlijk om te werken. We waren verplicht een zeker aantal karretjes te vullen en als we hiermee klaar waren, mochten we naar het kamp terugkeren en waren voor de rest van de dag vrij. Onze vrije tijd hebben we voornamelijk aan sport besteed, totdat we ontdekten, dat we bij de boeren in de omgeving tegen een kleine vergoeding kersen konden gaan plukken. Dit hebben we terstond gedaan en hebben hiermede een aardig centje bijverdiend. In die drie maanden mochten we éénmaal met verlof voor een weekend naar het hotel terugkeren. Toen we onze plicht tegenover de Zwitserse bevolking hadden volbracht, mochten we huiswaarts keren en kon ik mijn werkzaamheden in de keuken hervatten. 

Tussendoor wil ik nog vermelden, dat wij vrij geregeld schriftelijk contact met een paar families in Nederland hadden en wij werden in bedekte termen goed op de hoogte gehouden over de toestand in bezet gebied. Jet had contact met haar vriendin Leny en ik onder meer met Ben Cohen uit Tilburg. De correspondentie, die wij voerden heeft practisch tot het eind van de oorlog geduurd.

Eén voorval uit onze contacten met Nederland wil ik niet vergeten te vermelden. Voordat we uit Nederland waren gevlucht heb ik vermeld, dat Leny naar Tilburg was gegaan om wat kledingstukken voor mij op te halen. Omdat we maar weinig konden meenemen, had zij wat kleren achtergehouden. Toen wij in Caux verbleven, hebben wij haar in een brief kenbaar gemaakt, dat ik graag een broek en een sportjasje wilde hebben. Zij had beide kledingstukken uit Tilburg meegenomen. Tot onze grote verbazing ontvingen wij een paar weken later via de post een pakket, waarin beide kledingstukken zaten. We waren er erg blij mee, maar schrokken erg, toen we ontdekten, dat in één van de zakken van het jasje een reisvergunning van de Joodse Raad zat. We vreesden, dat de Duitsers dit ook ontdekt hadden, want alle post werd gecensureerd en wij waren bang, dat Leny opgepakt was. Gelukkig vernamen we spoedig, dat dit niet het geval was en dat was een pak van ons hart.

Het verhaal van ons verblijf in Zwitserland weer oppakkend, kan ik vermelden, dat het inmiddels half 1944 was geworden. Begin juni ’44 waren de geallieerden in Frankrijk geland en er werd verwacht, dat de oorlog niet lang meer zou duren. Ook wij hadden die verwachting, vandaar dat door een zekere dr. PolakDaniëls, ook een vluchteling een oproep werd verspreid om vrijwilligers te werven voor een equipe, die hulp zou gaan bieden aan overlevenden uit de concentratiekampen, wanneer dezen door de geallieerden werden bevrijd. Dr. Polak-Daniëls wilde met zijn vrouw een equipe van ongeveer 50 mensen gaan formeren, die hulp zou gaan bieden aan de Nederlandse gevangenen, die de concentratiekampen hadden overleefd. Bij deze equipe zou ook een kok geplaatst worden, vandaar, dat ik mij aan ging melden. Bij de selectie werd ik prompt aangenomen om als kok mee te gaan. Vanaf dat moment werd ik door de Nederlandse regering in Londen tewerkgesteld bij het Ministerie van Sociale Zaken. Ik kon het hotelkamp met Jet gaan verlaten en mocht vrij gaan wonen in Genève, waar ik tevens een verdere opleiding zou krijgen met het oog op de hulp, welke wij zouden gaan bieden. Ook zou ik als ambtenaar van Sociale Zaken gesalarieerd worden. Ik zou een salaris gaan ontvangen, bestemd voor mij en mijn echtgenote. Hiermede had ik het toch wel moeilijk, want wij waren geen getrouwd stel. Ik heb toen aan dr. Polak-Daniëls verteld hoe de vork in de steel zat en hij raadde mij aan onmiddellijk contact met de gezant in Bern op te nemen en hem de waarheid te vertellen. Ik moest dit ook bekend maken bij de Zwitserse politie in Bern. De volgend dag ben ik naar Bern gereisd en heb daar een onderhoud gehad met de gezant.

Dat ik bij mijn aankomst in Zwitserland had gelogen, werd mij niet in dank afgenomen. Zelfs dreigde de gezant mij in een strafkamp te laten plaatsen. Op deze dreiging antwoordde ik hem, dat ik dan onmiddellijk Zwitserland zou gaan verlaten en op eigen gelegenheid met Jet naar Nederland zou terugkeren. Toen hij mij vroeg, hoe ik dat wilde doen, antwoordde ik hem, dat ik ook vanuit Nederland zonder zijn hulp naar Zwitserland was gekomen en derhalve ook wel in omgekeerde richting naar Nederland zou komen. Toen ik daarna nog vermeldde, dat ik geen salaris als gehuwde man en vrouw wilde aannemen, draaide hij bij en was nu van mening, dat dit toch wel fatsoenlijk van mij was. Ergo, het strafkamp ging niet door en op mijn verzoek spoedig in het huwelijk te kunnen treden, antwoordde hij mij, dat zodra Zuid Nederland was bevrijd hij een koerier zou sturen om na te gaan of de verdere gegevens, welke wij bij onze aankomst vermeld hadden juist waren geweest. In verband met mijn verbintenis met de zogenaamde Polen-equipe zou ik zo snel als mogelijk uitsluitsel krijgen. Nu moest ik nog naar de politie in Bern om boete te doen. Dit leek mij een groter probleem. Wat schetst mijn verbazing echter, toen ik mijn leugen opsomde; de politie begon hartelijk te lachen en merkte op, dat ik in 1942 onder de toenmalige omstandigheden groot gelijk had gehad en mij verder nergens zorgen over hoefde te maken. Indien ik van het Nederlandse gezantschap toestemming kreeg om te trouwen, zouden zij mij geen strobreed in de weg leggen. Dit heb ik de gezant meegedeeld. Inmiddels ging de voorbereiding voor het vertrek naar Polen door. De equipe kwam regelmatig in het hotel in Mont Pellerin bijeen voor besprekingen en onderricht door dr. Polak-Daniëls en zijn eega.

In het voorjaar van 1945 kregen wij via de ambassade het bericht, dat wij toestemming kregen om te gaan trouwen. In Zwitserland levert dit weinig problemen op. Enige honderden meters beneden Mont Pellerin lag het dorp Corsiez en daar konden we het verzoek indienen om te trouwen. Wij er heen en daar ontmoetten wij een wijnhandelaar, die tevens ambtenaar van de burgerlijke stand was. Op ons verzoek in Corsiez te kunnen trouwen werd ons verteld, dat wij, indien wij dat wilden reeds de volgende dag in het huwelijk konden treden. We hebben toen afgesproken, dat we de huwelijksdatum op 11 mei wilden vastleggen. Na nog wat voorbereidingen te hebben getroffen door ondermeer te zorgen voor getuigen zijn wij op 11 mei 1945 in het huwelijk getreden. Deze dag was voor ons niet meer dan een formaliteit en ik zal hierover niet verder uitweiden. De problemen waren hiermede opgelost en wij konden nu als getrouwd echtpaar verder leven. Nooit heeft iemand in het hotelkamp enig vermoeden gehad, dat wij niet getrouwd waren en iedereen was stomverbaasd, toen zij het hoorden. Na ons huwelijk verhuisden wij van Mont Pellerin naar Genève, waar wij onze intrek namen in een studio in de Avenue Pictet de Rochemont niet ver van het Meer van Genève. Intussen was dr. Polak-Daniels naar Londen gevlogen om verdere instructies te krijgen betreffende onze reis naar Polen. Niet lang daarna kreeg ik met de rest van de equipe de opdracht naar Parijs te vertrekken. In Parijs diende wij ons te melden op de Nederlandse ambassade voor verdere instructies.

Jet bleef alleen achter in Genève, het was augustus 1945, maar het zou niet lang meer duren, voordat zij met de rest van de Nederlandse vluchtelingen zou repatriëren. De reis naar Polen van onze equipe heeft nooit plaatsgevonden, omdat de Russen geen toestemming gaven de concentratiekampen te betreden, zeker niet door westerse hulporganisaties. Na 14 dagen in Parijs te zijn gebleven en ook niets meer van dr. Polak-Daniels vanuit Londen te hebben vernomen, ben ik op eigen houtje met behulp van de Amerikaanse autoriteiten in Parijs naar Nederland teruggekeerd. Hiermede is een eind gekomen aan ons verblijf in Zwitserland. Bijna drie jaar van september 1942 tot augustus 1945 hadden we daar als vluchteling geleefd. In vergelijking met de Nederlanders in bezet gebied hebben wij het daar uitstekend gehad.

Als vluchteling was je niet erg welkom, je was een mede opeter in een land omgeven door oorlogvoerende partijen en het was begrijpelijk, dat Zwitserland veel moeite moest doen om aan levensmiddelen te komen voor haar eigen bevolking en bovendien nog voor duizenden vluchtelingen van allerlei nationaliteiten. Toch moeten we Zwitserland bijzonder dankbaar zijn, dat het ons heeft geaccepteerd en dat het daarmee behulpzaam is geweest bij het redden van ons leven.

Met deze beschrijving van onze vlucht in 1942 vanuit Nederland en ons verblijf in Zwitserland hoop ik een kleine indruk te hebben gegeven van ons leven gedurende deze drie jaar.

Herman Stofkooper

 

 

Dit is het verhaal van Herman Stofkooper over zijn vlucht samen met zijn verloofde Jet tijdens de oorlog naar Zwitserland. Herman woonde van 1929 tot en met 1935 in het Joodse Weeshuis in Leiden. Hij schreef een eerste versie van zijn rapport vlak na de oorlog. Dat leende hij uit maar uiteindelijk niet teruggekregen. Toen heeft hij het opnieuw geschreven in de zeventiger jaren van de vorige eeuw. Dit stuk is op deze pagina gepubliceerd met toestemming van de familie. Bij eventueel gebruik graag contact opnemen.