Op 2 mei 2026 werd in Den Ham in het kader van Open Joodse Huizen een lezing gehouden over Betje Wolff (later Dommerholt) door haar dochter Marijke van der Kroft. Betje woonde van 1932-1943 in het Joodse Weeshuis en overleefde de oorlog. Hier hoort u haar verhaal verteld door haar dochter.
- De lezing (video)
- De lezing inclusief illustraties
- Bijlagen bij lezing 2 mei Den Ham
- Interview op TV Oost
Onder deze foto leest u de tekst van de lezing.

De lezing, door Marijke van der Kroft
De geschiedenis.
Het moet in het najaar van 1923 zijn geweest, waarschijnlijk rond oktober, dat Leea Johanna Wolff – dochter van Bet Schlosser en Jacob Wolff – zwanger raakte.
Was het één van de jongens uit de buurt, met wie zij misschien een relatie had?
Was het onder dwang gebeurd?
Of was het een relatie die niet mocht bestaan — bijvoorbeeld omdat hij getrouwd was, of omdat hij niet van Joodse komaf was?
Leea nam 4,5 jaar later haar geheim mee in haar graf. Volgens de documenten overleed zij aan TBC, liet haar 4 jarige dochter Betje Jacoba achter, het kind dat op 13 juli 1924 om 15 uur in Den Ham werd geboren.
De kleinzoon van Betje Jacoba Wolff deed in 2014 al onderzoek naar zijn grootmoeder. Hij schreef er een prachtig artikel over. Sommige passages deel ik hier:
“Ik ben blijkbaar ineens Joods, hoe gek dat ook klinkt…
ik ben nooit Joods opgevoed…
en ik wist eigenlijk niets van mijn familiegeschiedenis.”
Vanaf het moment dat Leea overleed was Betje weeskind.
Ze bleef bij haar opa Jacob wonen in het huis waar ze ook geboren was. Dat was voor haar een veilige plek; haar opa zorgde voor haar. Haar oma was in 1920 al overleden. Er waren geen andere kinderen meer in huis. Ze waren overleden of ‘uitgevlogen’. De laatste en jongste dochter Bertha was verhuisd naar Hilversum en trouwde daar.
Vorig jaar bezocht ik Den Ham.
Ik liep over de Brink en wist dat Betje daar ook gelopen had.
Hand in hand met haar moeder, en later waarschijnlijk met haar opa.
Misschien hebben ze samen een ijsje gegeten, zittend op een bankje.
Op de Brink staat een muziektent, die er toen waarschijnlijk ook al stond.
Hebben ze daar samen naar muziek geluisterd?
Zijn ze samen naar de kermis geweest?
Kwam zij haar vader wel eens tegen? Hebben ze wel eens een babbeltje gemaakt?
Jacob was alleen met Betje, of zoals ze ook wel genoemd werd: Betsie.
Het viel Jacob zwaar, de verzorging van zo’n jong kind. Hij was al behoorlijk op leeftijd (70) en bedacht dat het voor Betje ook beter zou zijn als zij ergens anders zou kunnen wonen, waar ze volgens de Joodse cultuur opgevoed zou worden.
Uiteindelijk is de keuze van Jacob gevallen op het Joodse Weeshuis in Leiden. Op 11 januari 1932 bracht hij haar naar het weeshuis en nam afscheid van zijn kleindochter, die hij daarna nog één keer zou bezoeken en hij nam een handtasje voor haar mee.
De periode die Betsie in het weeshuis doorbracht lijkt naar alle waarschijnlijkheid een goede te zijn geweest. De sfeer was er goed, ze had ineens veel ‘broertjes en zusjes’ en was er gelukkig.
1932 in het weeshuis
“In een stoffige map vond ik het ondeugend kijkende dametje dat ik zocht: Betje ‘Betsy’ Jacoba Wolff.”
De eerste 1,5 jaar heeft zij onderwijs gehad in Den Ham. Eenmaal in Leiden ging zij naar de openbare lagere school in de Paul Krügerstraat.
Daar kreeg zij onder andere les van ene meester Dommerholt.
Betsie vertelde later over haar schooltijd dat zij, zodra zij de klas binnenkwam, meestal meteen ‘achter het bord’ moest gaan staan.
Mij is niet bekend of het meester Dommerholt was, die haar achter het bord stuurde.
Waarschijnlijk – zoals zij het zelf verwoordde – ‘omdat ik de knapste van de domste was…’
“De geur van verf en bleekmiddel maakte plaats voor een muffe, stoffige geur…
en daar zag ik haar… mijn oma… tussen de foto’s.”
Op 12 of 13 jarige leeftijd (in 1936-1937) ging Betsie naar de Nijverheidsschool op het Rapenburg in Leiden.
Daar leerde ze koken, wassen en strijken en alles wat nodig was om een goede echtgenote en moeder te worden.
Op 27 augustus 1941 heeft de Nijverheidsschool het bericht gekregen dat er aan 8 joodse leerlingen de toegang tot de school ontzegd moest worden. Eén van hen was Betje Jacoba Wolff.
In het lerarenoverleg werd hiervan ook melding gemaakt en heeft men aangegeven bezwaar aan te tekenen. Het heeft echter niet mogen baten.
Vanaf dat moment mocht Betsie dus niet meer naar school en heeft zij zich in het weeshuis nuttig gemaakt als hulp van de kinderverzorgsters.
In 2004 schreef Hans Kloosterman, die samen met Betsie in het weeshuis woonde, dat hij zich Betje herinnert als een lief en zorgzaam meisje. Terwijl andere kinderen naar school gingen, bleef zij vaak in het weeshuis om te helpen bij de verzorging van de jongere kinderen en in de keuken.
Hij schrijft dat Betsie goed met iedereen kon omgaan en zich nooit beklaagde. “Betsie kreeg nooit visite van familie…” schrijft hij.
Volgens hem trok zij zich daarom vaak wat terug, al liet zij daar zelf weinig over los.
De situatie rondom de Joden werd in Nederland moeilijker. Er waren veel geluiden over Joden die afgevoerd werden en nooit meer terugkwamen. De eerste tijd wist niemand wat er met hen gebeurde.
Om de hoek van het weeshuis woonde Hyme Stoffels met zijn vrouw, een kinderloos echtpaar.
Hoe het contact tot stand gekomen is, is mij niet bekend. Wel is duidelijk (achteraf) dat een schoolmeester van de lagere school en Stoffels met elkaar in contact kwamen en spraken over de toekomst van Betsie. De schoolmeester had familie in Den Ham, het dorp waar Betsie geboren was.
De schoolmeester, Jan Hendrik Dommerholt, gaf aan dat als er een vader gevonden moest worden voor Betsie, Stoffels contact moest opnemen met ene Derk Jan Dommerholt uit Den Ham.
In de oorlogsjaren werden, om Joodse kinderen te redden die geen vader hadden, mannen van niet-Joodse- komaf gevraagd kinderen te echten of te erkennen, waardoor ze voor de Duitse autoriteiten ‘geen Jood’ meer waren. Voor deze kinderen werden de zogenaamde G1-verklaringen (niet-Jood verklaring) afgegeven.
Met deze informatie is Stoffels aan de slag gegaan. Ik vermoed dat Betsie van deze gebeurtenissen niet op de hoogte was.
Maar ondertussen gebeurde er van alles. Terwijl Betsie voor de kleintjes zorgde in het weeshuis, benaderde Stoffels Derk Jan Dommerholt. Deze man, op dat moment inmiddels een vader van 2 kleine kinderen en getrouwd, verklaarde zich bereid het meisje Wolff te erkennen. Hij moest daarvoor verklaringen overleggen waarmee hij kon aantonen dat hij geen Joodse voorvaderen had. Alles werd per post over en weer gestuurd, en uiteindelijk op 18 december 1942 werd op het gemeentehuis van Den Ham bij de ambtenaar burgerlijke stand, dhr. Maneschijn, de aantekening op het geboortebewijs van Betje geplaatst dat Derk Jan Dommerholt, geboren in 1900 het kind, inmiddels 18 jaar, erkende.
Dhr. Maneschijn, was de ambtenaar van de Burgerlijke Stand in Den Ham, en was geen onbekende in oorlogstijd: Deze ambtenaar bleek later zelf tijdens de oorlog betrokken te zijn geweest bij verzetsactiviteiten en heeft daarvoor zelfs gevangen gezeten in Kamp Erika, een berucht Nederlands straf- en werkkamp.
Daarmee was de procedure bijna afgerond. Er moesten nog enkele verklaringen worden afgegeven, en op 10 maart 1943 werd de G1-verklaring afgegeven.
En op 11 maart volgde de verhuisvergunning.
Betje was niet langer als Jood geregisteerd en haar achternaam was officieel gewijzigd in Dommerholt.
Zij kon de Davidster van haar kleding halen.
Zij moest onmiddellijk het weeshuis verlaten en vond onderdak bij Stoffels. Zij werd er dienstmeisje voor kost – en inwoning.
Een week later werd het weeshuis ontruimd.
Toen zij afscheid wilde nemen van de kleintjes die per bus vervoerd zouden worden richting Westerbork, de grotere kinderen moesten lopen naar het station, werd ook Betje door de Leidse politie in de bus gezet. Op het laatste nippertje wist Stoffels te voorkomen dat Betje meegenomen zou worden. Met de G1-verklaring in zijn hand mocht hij haar meenemen naar huis.
Citaat van haar kleinzoon:
“Opeens werd duidelijk dat het niet veel gescheeld had of ik had nooit bestaan.”
Dit hachelijk avontuur is haar niet in de koude kleren gaan zitten. Enkele weken na de ontruiming is Betje op bezoek gegaan naar haar tante Bertha, de jongste zus van haar moeder en het nog enig levende familielid. Wat Betje waarschijnlijk niet geweten heeft, is dat haar opa Jacob in april 1943 vermoord is in Sobibor. Het grootste deel van de kinderen werd met het eerste transport dus al op 26 maart 1943 vermoord in Sobibor. Sommige kinderen gingen naar Auschwitz. 4 kinderen hebben het overleefd.
Citaat van haar kleinzoon
“De familie was kapot…
het was ieder voor zich in deze metalen doodskist.”
Betje correspondeerde wel nog met Stoffels en ze is ook teruggekeerd naar Leiden, op 18 juni 1945.
In juni 1945 leerde zij Louis kennen, met wie zij in augustus 1945 in Leiden getrouwd is. Met hem vertrok zij naar Limburg en heeft zeven kinderen gekregen. Het eerste kind overleed al 1 dag na de geboorte. In 1959 baarde zij een doodgeboren kind.
Eigenlijk eindigt hier het verhaal over het leven van een joods meisje dat geboren werd in Den Ham, en opgroeide zonder vader, en vanaf haar vierde jaar ook zonder moeder.
Toen ik het boek van Jaap Focke in handen kreeg en begon te lezen over het wel en wee van de weeskinderen viel de naam Betje mij direct op, omdat ze veel besproken wordt in enkele hoofdstukken. Betje kreeg de naam Dommerholt, en haar schoolmeester was dhr. Dommerholt. Met deze naam begon mijn zoektocht naar de vader van Betje. Wie was deze man? Waar kwam hij vandaan? Wat bewoog hem om zijn naam aan het kind te geven in een weeshuis in Leiden?
De zoektocht
Het echte onderzoek begon met een naam.
In het boek over het Joodse weeshuis in Leiden, met daarin het hoofdstuk dat voornamelijk aan Betje Wolff gewijd was, kwam ik een naam tegen die mij onmiddellijk opviel: Dommerholt.
Die naam kende ik al uit het verhaal van Betje. Tijdens de oorlog had zij die naam gekregen en onder die naam heeft zij de rest van haar leven geleefd.
Toen ik die naam in het boek tegenkwam, vroeg ik mij af: hoe was die naam in haar leven terechtgekomen?
Dommerholt bleek de naam van de onderwijzer op de lagere school van Betje. Ik vroeg mij af, of deze man in het verzet gezeten had omdat bekend was dat verzetsmensen soms bereid waren kinderen te redden door hen officieel door een niet-Joodse vader te laten erkennen.
Deze Dommerholt bleek de enige Dommerholt in heel Leiden te zijn en was geregistreerd als onderwijzer. Later werd hij leraar aan de Ulo. Deze moest het dus zijn. Maar hij bleek niet in het verzet gezeten te hebben. In het boek had ik wel gelezen dat hij bij Stoffels, de buurman van het weeshuis, die wèl in het verzet zat, had aangegeven dat hij voor een vader voor Betje in Den Ham moest zijn.
Ik vond het een vreemde constructie. Den Ham lag bepaald niet ‘in de omgeving van het kind’, terwijl potentiële vaders doorgaans in de directe omgeving van de betreffende kinderen werden gezocht.
En waarom verwijst Jan Hendrik (deze naam had ik in het bevolkingsregister in Leiden gevonden, compleet met geboortedatum) naar een man met dezelfde achternaam in Den Ham?
Ik begon een stamboom op te zetten met als uitgangspunt Jan Hendrik, en zag dat deze in Deventer geboren was. Ik kon echter geen link leggen met Den Ham. Dus, verder zoeken in de stamboom. Jan Hendrik had geen nazaten, wel ouders. De ouders in kaart gebracht, compleet met broers en zussen, maar ook daar ontbrak de link naar Den Ham. Moest ik nog dieper?
Ja.
Pas bij de grootvader van Jan Hendrik kwam ik op het spoor van Den Ham. De grootvader van Jan Hendrik had een broer, en die had een zoon Derk, en diens zoon was Jan. De zoon van Jan was Derk Jan Dommerholt, de persoon die op het geboortebewijs van Betje was genoemd als degene die haar erkend had. Bingo!
Gradus Dommerholt (1797)
┌────────────────┴────────────────┐
│ │
Gerrit Dommerholt (1822) Derk Dommerholt (1828)
│ │
Gradus Dommerholt (1848) Jan Dommerholt (1874)
│ │
Jan Hendrik Dommerholt (1889) Derk Jan Dommerholt (1900)
Derk Jan Dommerholt, is vanaf december 1942 officieel de (weliswaar juridische) vader van Betje Jacoba Wolff. Vanaf dat moment verdween in de officiële documenten de naam Wolff en werd Betje voortaan geregistreerd als Betje Dommerholt.
Op dat moment begon ik te denken: ‘het zal toch niet zo zijn dat Derk Jan de biologische vader van Betje was. Want waarom verwijst Jan Hendrik naar zijn achterneef? Wat wist Jan Hendrik? Was hij op de hoogte van feiten in het verleden, dat Derk Jan ooit een relatie met een joods meisje had gehad? Had Derk Jan binnen de familie verteld dat hij een meisje zwanger had gemaakt?’
Had Jan Hendrik bij zijn achterneef druk gezet, dat hij de enige was die zijn bloedeigen dochter kon redden? Heeft Derk Jan uit een soort van plichtsbesef zijn handtekening gezet?
Een andere aanwijzing voor mijn vermoeden kwam uit een heel andere hoek: DNA-onderzoek.
Uit dat onderzoek bleek dat het onderzochte DNA voor ongeveer 24 procent Asjkenazisch-Joods is.
Wanneer iemand twee volledig Asjkenazisch-Joodse ouders heeft, ligt dat percentage genetisch gezien rond de 100 procent. Wanneer slechts één ouder volledig Asjkenazisch-Joods is, ligt dat aandeel bij een kind gemiddeld rond de 50 procent.
Het percentage van ongeveer 24 procent wees er daarom op dat de moeder van de onderzochte persoon ongeveer half Asjkenazisch-Joods moest zijn geweest.
Het lagere percentage wees erop dat Betje waarschijnlijk niet volledig Joods was, maar ongeveer voor de helft. Dat betekende dat haar vader vrijwel zeker een niet-Joodse man moest zijn geweest.
Was dat dan de reden van het stilzwijgen van Leea Johanna? Een relatie met een niet-Jood met zwangerschap tot gevolg was zeer onwenselijk. Wat zou het voor Leea betekend hebben wanneer zij de identiteit bekend zou maken van de verwekker van haar kind? Zou Jacob haar de deur hebben gewezen? Zou Jacob toestemming geven voor een huwelijk? Allemaal vragen die onbeantwoord zijn gebleven. Leea heeft haar keuze gemaakt en er aan vastgehouden. De schaamte voor Jacob dat zijn dochter ongehuwd zwanger was, was minder ernstig dan de wetenschap dat een niet-Jood het kind had verwekt.
Ook deze verklaring sterkte mijn vermoeden. Bovendien waren Leea en Derk Jan dorpsgenoten en leeftijdsgenoten. Het kon een romance zijn geweest, een verboden liefde? We zullen het nooit weten.
Leea Johanna heeft over de identiteit van de vader van haar kind altijd gezwegen en dat geheim met zich meegenomen in haar graf.
Uit alle documenten blijkt dat er een levendige correspondentie is geweest tussen Stoffels en Derk Jan Dommerholt, die geresulteerd heeft in de redding van Betje Wolff.
Derk Jan Dommerholt.
Uit de papieren blijkt ook dat Betje één week voor de razzia en deportatie haar G1-verklaring kreeg. Op dat moment moest zij per direct het Joodse weeshuis verlaten, want in de ogen van de Duitse autoriteiten werd zij vanaf dat moment niet langer als Joods beschouwd. Betje was gered.
Slechts één week later werd het weeshuis ontruimd en werden de kinderen en medewerkers weggevoerd. Voor velen van hen betekende dat transport het begin van een reis die eindigde in vernietigingskamp Sobibor en Auschwitz.
Een groot deel van alle kinderen uit het weeshuis werd in maart 1943 in Sobibor vermoord. Slechts korte tijd daarna werd ook Betjes opa daar omgebracht.
De stamboom Dommerholt hield mij bezig. Jan Hendrik die in Deventer geboren was, en Derk Jan die in Den Ham woonde. Achterneven, aangezien hun opa’s broers waren. Ik was nieuwsgierig geworden naar de oorsprong van de Dommerholts. Na enig speurwerk bleek dat de eerste Dommerholt, geboren in 1717 ter wereld kwam in Epse. Daar stond een boerderij, eigendom van Dommerholt “De Stoevenbelt” genaamd. Bestaat toeval? 32 jaar geleden kwam ik met mijn gezin in Epse wonen. De plek waar de Stoevenbelt stond, is praktisch bij mij om de hoek.
Mijn nieuwsgierigheid naar de vader van Betje werd steeds groter. Ik wilde graag in contact komen met nazaten van Derk Jan. Uit documenten die ik had opgevraagd bij het CBG (Centrum voor Familiegeschiedenis) bleek dat Derk Jan al op 49-jarige leeftijd overleden was. Hij was getrouwd in 1932 en had 3 kinderen.
Door een bericht te plaatsen op de Facebook-pagina van Den Ham kwam ik in contact met de echtgenoot van een kleindochter van Derk Jan.
Hij had op Facebook gelezen dat ik diezelfde dag onderzoek ging doen in het Oudheidkundig archief in Den Ham en nodigde me uit om bij hem thuis in Daarlerveen te komen uitleggen waarom ik op zoek was naar nazaten van Derk Jan. Deze uitnodiging nam ik heel graag aan, en schoof bij hen aan tafel aan, waar niet alleen de kleindochter was, maar ook de jongste dochter van Derk Jan. De tachtigjarige dame vertelde dat zij haar vader niet echt gekend heeft, aangezien zij 2 jaar oud was, toen hij overleed.
Ook vertelde zij dat in haar gezin in de oorlogsjaren een Joods meisje ondergedoken was.
Dat gegeven bevestigde voor mij nog méér dat Derk Jan een man was met plichtsbesef, en misschien daarom ook bereid was geweest om voor Betje een vader te worden.
Op het moment dat hij zijn handtekening zette, verbleef er in zijn eigen huis al een Joods meisje dat was ondergedoken. Dat was een uiterst gevaarlijke situatie. Derk Jan had een gezin met jonge kinderen en bracht door deze hulp zijn eigen leven en dat van zijn familie in gevaar. Toch erkende hij Betje en redde haar daarmee van een vrijwel zekere dood.
In mijn ogen was Derk Jan een held. Ik hoopte daarom nog vuriger dat juist hij de vader van Betje was. Zo’n vader verdiende zij.
Tot mijn grote vreugde was de jongste dochter van Derk Jan bereid mee te werken aan een DNA onderzoek. Ook zij wilde weten of ze nog een oudere zus heeft gehad. Eigenlijk raakte zij steeds meer overtuigd van het gegeven dat haar vader vóór het huwelijk met haar moeder nog een kind heeft gekregen, en mijn theorie overtuigde haar totaal.
De dag erna heb ik bij haar een DNA-kit laten bezorgen. Diezelfde dag heeft zij met hulp van haar dochter de test uitgevoerd en opgestuurd.
Het lange wachten begon. Intussen had ik regelmatig contact met de dochter van de dochter. Zij stuurde me foto’s van een zus van haar moeder, waar ik duidelijk gelijkenissen met Betje zag. Wishful thinking? Een foto van Betje werd rondgestuurd door de familie Dommerholt en de reacties waren overduidelijk: Wat lijkt Betje veel op onze overleden tante/nicht/zus.
Voor mij was de cirkel rond. De vader van Betje was gevonden. Een euforisch gevoel. Na 102 jaar het raadsel ontrafeld.
In een ander document vond ik een citaat, waarschijnlijk van dhr. Maneschijn, daarin stond:
Een moedige niet-Joodse inwoner van onze gemeente erkende voor de toenmalige ambtenaar van de burgerlijke stand, in december 1942 vlak vóór de massale Joden-deportaties, simpelweg dat hij de verwekker van het kind was; daardoor kreeg Betje Jacoba officieel zijn naam en ontsnapte aan de gaskamer. Ik betuig mijn diep respect en vermeld met ere de naam van D.J. Dommerholt.
Dit citaat overtuigde mij nog meer, dat Derk Jan de vader van Betje moest zijn.
Alles leek te kloppen.
De plaats, Den Ham.
De familieband.
De bereidheid om te erkennen.
Op 27 februari kwam het verlossende woord.
Er is geen DNA-match tussen de familie van Betje en de familie Dommerholt.
En dat is jammer. Dat is spijtig. Maar voor mij blijft overeind, dat Derk Jan een HELD is.
Mijn verhaal is in ieder geval een ode aan de mensen die niet VAN Betje waren maar wel VOOR haar hebben gestreden om haar in leven te houden.
Ik noem Jan Hendrik Dommerholt, Heyme Stoffels en zijn echtgenote Emilie, Derk Jan Dommerholt, de ambtenaar Burgerlijke stand van Den Ham, dhr. Maneschijn.
Zonder deze mensen had Betje het niet gered. Was zij afgevoerd naar Sobibor.
Nog één citaat van de kleinzoon van Betje. Hij deed onderzoek bij het voormalig weeshuis. Bij het verlaten van het gebouw liepen er twee dames langs. Hij ving een deel van hun gesprek op:
“Waarom heeft die deur eigenlijk de vorm van een ster?”
“Geen idee… iets met Joden of zo.”
Haar kleinzoon keek nog een keer naar de deur, met daarin een Davidster.
Hij wíst nu, wat zich daar had afgespeeld.
Hij bezocht het voormalig weeshuis om in een eigen verhaal te vertellen dat overal verborgen verhalen liggen. Voorbijgangers hebben daar meestal geen weet van, “iets met Joden” …
Maar het was niet “iets”.
Het waren kinderen.
Het was een leven.
Het was Betje.
Tot slot wil ik de nazaten van Derk Jan Dommerholt bedanken voor hun bereidheid mee te werken aan dit onderzoek. Hun openheid en medewerking hebben het mogelijk gemaakt om dit verhaal zo zorgvuldig mogelijk te reconstrueren.
Betje was mijn moeder.
Ik ben Marijke van der Kroft.
