Vervolging en bescherming, joden in Leiden 1933 – 1945

In maart 2003 is ter gelegenheid van een tentoonstelling “Vervolging en bescherming, joden in Leiden 1933 – 1945” een boek uitgegeven. De auteur, Leonard Kasteleyn, heeft daarna de tekst nog verder vervolmaakt. 

Hieronder kunt u de tekst lezen. Of u kunt hier de PDF downloaden: VervolgingEnBescherming

 

Inleiding

 

Op 17 maart 2003 is het precies zestig jaar geleden dat er bij een grote razzia in opdracht van de Duitse bezetter ongeveer honderd joden uit Leiden thuis werden opgehaald en weggevoerd; onder die honderd waren de zestig bewoners van het joodse weeshuis in de Roodenburgerstraat. Van hen overleefden zeven mensen de oorlog: vier kinderen uit het weeshuis en drie volwassenen van elders uit de stad.

In totaal woonden er in 1942 en begin in de Nederlands-Israëlitische Gemeente Leiden (die dertien randgemeenten omvat) ruim 490 joden. Van hen werden er tenminste 271 om het leven gebracht. Om hen te gedenken, organiseerde Stedelijk Museum de Lakenhal de tentoonstelling Vervolging en bescherming, joden in Leiden en omgeving 1933-1945 en verschijnt deze gelijknamige publicatie. Centraal op de expositie staat de lijst met namen van de vermoorde joden uit Leiden en omgeving. Het is de bedoeling om deze namen aan te brengen op een permanent monument, dat ergens in de stad een plaats moet krijgen. Leiden heeft tot nu toe, in tegenstelling tot de meeste andere gemeenten die in de oorlog joodse ingezetenen hebben verloren, geen gedenkteken voor hen – afgezien van de fraaie plaquette die in 1989 aangebracht is in het pad naar de ingang van de G.G.D. in de Roodenburgerstraat, het voormalige joodse weeshuis. Nergens echter in de stad – ook niet op of bij deze plaquette – zijn de namen te lezen van de weggevoerde en omgekomen Leidse joden.

 

Doel van de tentoonstelling is een beeld te geven van de jodenvervolging in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog aan de hand van de situatie in Leiden en omgeving. Ook worden specifieke aspecten van die situatie belicht, zoals de aanwezigheid van een landelijk joods weeshuis, het hoge percentage overlevenden en de voortzetting van het joodse leven in de stad na de oorlog. Deze publicatie wil het op de tentoonstelling geschetste beeld nader toelichten, op wetenschappelijk verantwoorde wijze, maar niet in wetenschappelijke vorm. Daarom ontbreken in dit boekje de noten.

 

Veel aandacht is geschonken aan de joodse kinderen van Leiden – hier door het weeshuis zo goed vertegenwoordigd – en in het bijzonder aan enkele van hen wier persoonlijke geschiedenis symbool staat voor de diepste ellende die door de Duitse bezetter over het Nederlandse jodendom is uitgestort.

            Vrij uitgebreid wordt ingegaan op de rol van de politie bij de twee razzia’s van maart 1943 en de vele arrestaties van ondergedoken joden in het daaropvolgende jaar. Kort voor het begin van deze tentoonstelling is de inventaris van het archief van de Politie Leiden, thans aanwezig op het Gemeentearchief, gepresenteerd. Het Politiearchief is een belangrijke bron gebleken voor de reconstructie van de geschiedenis van de Leidse joden in de oorlog en die van de joodse vluchtelingen uit Duitsland vanaf 1933. Aan de hand van het daarin bewaard gebleven materiaal kon de tot dusver beschreven verhouding tussen medewerking aan en tegenwerking van de door de bezetter verordineerde deportaties van de joodse ingezetenen door het Leidse politiekorps in belangrijke mate aangevuld en gecorrigeerd worden.

 

De samenstellers van de tentoonstelling zijn zich er terdege van bewust dat het binnen de beschikbare ruimte onmogelijk was recht te doen aan alle aspecten van deze onbevattelijke episode uit de geschiedenis. Met name kon uit de aard der zaak niet iedereen genoemd worden die zich, op welke wijze dan ook, verzet heeft tegen de uitvoering van de jodenvervolging – vaak met gevaar voor eigen leven. Een groot aantal mensen in Leiden en omgeving heeft ertoe bijgedragen dat in dit deel van het land zovele joden de oorlog hebben overleefd. Slechts van enkelen van hen wordt op de tentoonstelling het verhaal – een klein stukje van hun verhaal – verteld. Evengoed hadden andere verhalen verteld kunnen worden. De genoemde helpers zijn symbool voor alle anderen die zich voor de, met de dood bedreigde, joden ingezet hebben.

 

Rest ons nog de nadruk te leggen op het belang van het slot van de tentoonstelling. De nazi’s mocht er alles aan gelegen zijn – letterlijk alles – ‘het joodsche ras in Europa te vernietigen’, zoals ze in hun waanzin dachten, zeiden en probeerden te realiseren. Toch overleefde een deel van de joodse gemeenschap in Nederland de oorlog; zij het een angstwekkend klein deel, zeker vergeleken met de ons omringende landen. Uit de kampen teruggekeerd, uit de onderduik weer in het openbare leven verschenen of, in het geval van een deel van de gemengd gehuwden met grote angsten thuis de oorlog doorgekomen, bouwden zij voorzover hun dat mogelijk was direct na de oorlog het joodse leven in Nederland weer op. Vaak onder tegenwerking van de overheid en met een deels vijandige publieke opinie. Het duurde lang, heel lang, voordat niet-joods Nederland werkelijk begon te beseffen, nee, te vermoeden, wat er zich had afgespeeld, wat de joden in de oorlog (en daarna) was aangedaan. Nog is die strijd om het inzicht niet gestreden. Deze tentoonstelling en het boekje willen aan dat inzicht een kleine bijdrage leveren. En tonen hoe het joodse leven in Leiden bovendien na de oorlog weer is opgebouwd, tot een bloeiende gemeenschap. De synagoge is schitterend gerestaureerd. Hier is ook het landelijk bekende Joods Studiecentrum gevestigd, dat openstaat voor joden én niet-joden.

 

 

  1. De joodse gemeenschap in Leiden 1714-1933

 

Op de hoek van de Korevaarstraat en het Levendaal staat de synagoge van de Joodse Gemeente Leiden. Het gebouw vervult nog steeds zijn eeuwenoude functie: elke maand en met de joodse feestdagen zijn er diensten. Bovendien  biedt het Joods Studiecentrum Leiden er tal van cursussen over het jodendom. Naast de synagoge bevindt zich een joods studentenhuis. Dit stukje van het Levendaal is dus het hart van de kleine, maar actieve joodse gemeenschap van Leiden. En dat is het al bijna driehonderd jaar.

In 1714 vestigde zich de Amsterdamse koopman Philip Arons in de stad. Hij was de eerste joodse burger van Leiden. Vier jaar later kwam een tweede, Aaron van Praag, een kleermaker uit Den Haag. Deze Van Praag kocht in 1723 een huis en erf aan de noordzijde van het [Oude] Levendaal. Het huis werd ingericht als synagoge. Vanaf die tijd is het gebedshuis van de Leidse joden op deze plaats te vinden – ofwel de sjoel, zoals het met een Jiddisch woord genoemd wordt. Het Jiddisch was de taal van de joden in Midden- en Oost-Europa, de zogenaamde Asjkenaziem; het werd in Nederland gesproken tot diep in de negentiende eeuw. De Leidse gemeente was – en is – er een van deze Asjkenazische, of Hoogduitse, joden.

Belangrijker nog dan een sjoel was voor de jonge gemeenschap een begraafplaats. Grond hiervoor verwierf men dan ook al in 1719, op het Blauwe Bolwerk aan de Witte Singel – waar nu het Centraal Faciliteitengebouw van de universiteit staat.

Toen er in 1731 toestemming verkregen werd om de gevel van de synagoge een vorm te geven die de functie van het gebouw liet zien, had de joodse aanwezigheid in Leiden een blijvende uitdrukking gekregen. Maar ongestoord zou die aanwezigheid niet lang zijn. Al twee jaar later voelde de stad zich geroepen om de komst van vreemdelingen aan banden te leggen – en joden werden in die tijd als vreemdelingen beschouwd. In 1737 deed men er nog een schepje bovenop: joden waren niet langer welkom. De stad telde toen zo’n 125 joodse inwoners. Erg streng heeft men dat verbod overigens niet gehandhaafd. Wel bleef een aantal gilden zich scherp verzetten tegen de concurrentie van joodse zijde. Dat was niet zo verwonderlijk: er heerste veel armoede in de stad. De meeste joden hadden het hier eveneens niet zo breed: ze handelden veelal in tweedehands kleding, in kammen of hoeden.

Toch kon men in 1762 een nieuwe synagoge bouwen op de plaats van de eerste. Er kwam een mikwe, een ritueel bad, in. Boven de ingang prijkte trots een tekst uit een van de kleine profeten: ‘De heerlijkheid van dit laatste huis zal groter worden dan van het eerste, zegt de Heer der heerscharen’ (Haggai 2:9) – waarmee de eenvoudige Leidse sjoel vergeleken werd met de tempel in Jeruzalem. De steen siert nog de voorgevel van het gebouw, dat sinds 1924 echter niet meer aan de Jodenkerksteeg staat, maar langs de toen aangelegde Korevaarstraat.

 

Dat de joden voor sommigen niet welkom waren in Leiden, bleek in de jaren vijftig van de achttiende eeuw ook uit de herhaaldelijk voorkomende grafschennis op de begraafplaats aan de Witte Singel. Men besloot om te zien naar een rustiger plek en vond die aan de Rijnstraat in Katwijk aan den Rijn. Frederik Hendrik baron van Wassenaer van Catwijck was bereid daar een stuk van zijn jachtterrein in de duinen te verpachten aan de joodse gemeente. Vanaf 1758 begroeven de Leidse joden daar hun doden – en zij doen dat tot op de huidige dag. Er liggen ongeveer 430 mensen begraven. Onder hen ook de zeventien kinderen van de godsdienstschool, die om het leven kwamen bij de buskruitramp van 12 januari 1807. Bij die ramp werd de joodse school geheel verwoest en de sjoel zwaar beschadigd.

Vanaf 1835 is de joodse gemeente volledig eigenaar van de begraafplaats. Grotendeels ommuurd, is het terrein thans veel groter dan in 1758. In 1872 kreeg men ook de beschikking over een apart – eveneens met een muur omgeven – gedeelte van de Algemene Begraafplaats bij molen “de Valk”. Nadat die begraafplaats in 1935 opgeheven was, bleef het joodse gedeelte nog tot 1962 dienst doen. Hier zijn echter slechts zestien mensen begraven, veelal patiënten van het ‘krankzinnigengesticht’ Endegeest. Deze doden zijn herbegraven in Katwijk.

 

Aan het eind van de achttiende eeuw nam de joodse bevolking van Leiden snel in omvang toe. In 1806 waren er al 240 joodse ingezetenen, waarvan bijna veertig procent armlastig was, in 1838 meer dan 600. Twintig jaar later was het aantal weer gedaald tot onder de 400. Juist in die tijd echter bleek een grondige verbouwing van de synagoge noodzakelijk; het herstel van de zware schade na de buskruitramp was niet genoeg geweest. Er verrees een vrijwel nieuw gebouw; wel behield men de gevelindeling en de steen met de – opnieuw toepasselijke – tekst.

Na 1860 vertoonde de joodse bevolking weer een sterk opgaande lijn, tot in 1888 ten tweede male het aantal van 600 overschreden werd. Een scherpe terugval in één jaar tijds, in 1889, bracht het zielental terug tot 350. In dat jaar nam ook de totale Leidse bevolking door een epidemie af met bijna 3000 mensen. Na die tijd kwam het aantal joden in de stad niet meer boven de 500 uit.

Rijk is de joodse gemeenschap in Leiden nooit geweest. Nog in 1903 kregen 50 van de 450 gemeenteleden steun. Maar ondanks de tamelijk geringe omvang van de gemeente waren er verschillende genootschappen actief: voor begrafenissen en ziekenbezoek, voor het onderhoud van de synagoge, een synagogaal koor en een liefdadigheidsgenootschap. Landelijk kreeg de stad in joodse kringen grote bekendheid door de oprichting van de Stichting, later Vereniging Centraal Israëlietisch Wees- en Doorgangshuis ‘Machseh Lajesoumim’ (de officiële naam sinds 1920) aan het eind van de negentiende eeuw.

 

  1. Het joodse weeshuis

 

Het Centraal Israëlietisch Wees- en Doorgangshuis ‘Machseh Lajesoumim’ is het achtste en laatste joodse weeshuis dat in ons land gesticht werd. In 1817 opende het eerste zijn deuren – vanzelfsprekend in Amsterdam, de stad wier bloeiende joodse gemeenschap al ruim honderd jaar ouder was dan de bescheiden gemeente van Leiden. Vrijwel alle niet-joodse weeshuizen in de hoofdstad waren in de zeventiende eeuw van de grond gekomen; de reden waarom de joden achterbleven, was hun grote voorkeur voor gezinsverpleging boven gestichtsverpleging – liever de warmte van een gezin dan de tucht van een tehuis. Maar na de opening van het Portugese jongensweeshuis (Portugese of Sefardische joden zijn joden van mediterrane herkomst; zij hadden hun eigen gemeenten) in 1817 volgden in snel tempo de drie andere huizen van Amsterdam: het Portugese meisjesweeshuis en het Hoogduitse jongens- en meisjesweeshuis. Ook Rotterdam en Den Haag, de tweede steden met de grootste joodse bevolking van ons land na Amsterdam, bleven niet lang achter. In 1868 functioneerden alle zes plaatselijke weeshuizen.

Drie jaar later krijgt de joodse gemeenschap van Nederland de beschikking over een landelijk weeshuis: het Centraal Israëlitisch Weeshuis van Utrecht. Hier kunnen kinderen uit het hele land terecht. Dit initiatief vindt later navolging in Leiden, maar voor het zover is, komt het in de stad tot de oprichting van de Israëlietische Weezencorporatie. Deze vereniging, in 1874 gevormd, zoekt allereerst aansluiting bij het centrale weeshuis in Utrecht, maar als de onderhandelingen op niets uitlopen, gaat men in 1877 zelfstandig verder – en wel op het pad van de gezinsverpleging, de beproefde Amsterdamse wijze van zorgverlening aan wezen. Die term ‘wezen’ intussen dient ruim opgevat te worden: half-wezen en zelfs ‘onwettige’ kinderen vallen daar over het algemeen ook onder. De corporatie hoeft pas in 1882 daadwerkelijk hulp te verlenen. Het aantal aan haar zorgen toevertrouwde kinderen blijft daarna altijd klein. Tot in de Tweede Wereldoorlog blijft deze eerste Leidse vereniging voor hulp aan wezen actief.

Vanaf 1891 wordt deze hulpverlening echter op veel grotere schaal verleend dan de Weezencorporatie deed – en wel in de vorm van gestichtsverpleging. In 1890 richt men een stichting op, ‘Centraal Israëlietisch Kinder- en Doorgangshuis’ geheten, die een huis zou vestigen in Leiden. Een tweede centraal joods weeshuis in den lande dus, met de uitdrukkelijke doelstelling om kinderen op te nemen die niet in aanmerking komen voor de andere weeshuizen. Daar is de toelatingsleeftijd immers vaak vijf of zes jaar; hier in Leiden kunnen wezen vanaf twee jaar ondergebracht worden. Van de bedoeling dat deze zeer jonge kinderen dan later zouden ‘doorgaan’ naar een plaatselijk weeshuis, is niet veel terecht gekomen; van de opname van peuters en kleuters echter des te meer.

Men begint in mei 1890 op zeer bescheiden schaal met een klein groepje wezen op Nieuwsteeg 4, maar reeds een jaar later krijgt men – dankzij een schenking – de beschikking over een voormalig wolpakhuis aan Stille Rijn 4. Na een verbouwing is hier vanaf juli 1891 plaats voor zo’n dertig kinderen. Helaas verkeert het pand in zeer slechte staat. Voortdurend kijkt men uit naar andere locaties; er wordt in 1903 zelfs een flink stuk grond gekocht aan de Cronesteinkade, van de vaste architect van de vereniging, Mulder; maar verhuisd of gebouwd wordt er niet – het geld ontbreekt.

In de herfst van 1919 vindt er een ‘stille revolutie’ plaats in het bestuur van het weeshuis: in enkele vergaderingen achtereen ruimen van de zestien oude regenten er in totaal negen het veld en treden er maar liefst achttien nieuwe aan, waaronder vijf regentessen – die nu gelijkgesteld worden aan de regenten. Dat was twee maanden na totstandkoming van de wet die vrouwen algemeen kiesrecht gaf. De nieuwe voorzitter, Ernst Loeb, van Duitse afkomst, laat er geen gras over groeien. Hij blijft slechts een jaar in functie, maar weet in die tijd vele vernieuwingen door te voeren: de werkende kinderen mogen voortaan hun hele loon houden, de uniforme weeshuiskleding wordt afgeschaft (iets wat in de vier Amsterdamse weeshuizen nooit zal gebeuren!), de kinderen gaan jaarlijks in Katwijk op vakantie – en men neemt de propaganda voor een nieuw gebouw met kracht ter hand. Maar het economisch tij zit, kort na de Eerste Wereldoorlog, tegen; middelen voor een verhuizing naar een bestaand gebouw of nieuwbouw zijn er niet.

Als in de tweede helft van de jaren twintig de economie weer aantrekt, komt de realisering van het oude ideaal dichterbij. In 1927 is het zover: men besluit een nieuw gebouw te laten neerzetten op de grond die al een kwarteeuw aan de vereniging toebehoort. Als architect trekt men Bernard Buurman aan, die de overbuurman van het nieuwe weeshuis zal worden: vanuit zijn bureau aan de overkant van de straat kijkt hij na de bouw uit op zijn beste schepping tot dan toe. In maart 1928 vindt de aanbesteding plaats, in juni wordt de eerste steen gelegd en precies een jaar later kan men het gebouw, in aanwezigheid van tal van genodigden, officiëel openen.

De regenten zijn terecht trots: het fraai ontworpen gebouw, dat plaats biedt aan maximaal 58 kinderen, is niet alleen voorzien van centrale verwarming, maar ook van een plat dak op de erker, dat geheel omhooggetakeld kan worden – waardoor de ruimte eronder, de speelzaal voor de kleuters, in de herfst, tijdens het Loofhuttenfeest, kan dienen als loofhut. In deze ‘hut’, vanwaaruit men de hemel moet kunnen zien, brengt elke gelovige jood gedurende acht dagen enige tijd door, ter herinnering aan de tocht door de woestijn.

Na de verhuizing neemt het aantal kinderen dat het weeshuis onderdak biedt, snel toe van tegen de dertig tot tussen de veertig en vijftig. Het joodse personeel (alleen de twee dienstboden zijn steeds niet-joods) is meeverhuisd; directeur, onder-directrice, hoofd van de naaikamer en kinderjuffrouw – gekomen tussen 1922 en 1929 – blijven allen tot het eind, in 1943. Na de dood van zijn eerste vrouw hertrouwt directeur Italie; zijn tweede vrouw schenkt hem in 1935 en 1937 twee kinderen, die in het weeshuis opgroeien.

In maart 1938 wordt één van de regenten, Levie Levisson, zestig jaar. De heer Levisson, die al bijna twintig jaar in het bestuur van het weeshuis zit, is directeur van de ‘Rotogravure’ (de Nederlandsche Rotogravure Maatschappij) aan het Galgewater. De leiding van het weeshuis besluit hem te verrassen met een album waarin van alle personeelsleden en alle kinderen een foto en een begeleidend briefje opgenomen is. De kinderen die schrijven kunnen – dat zijn er dan 35 – maken zelf een gedichtje of briefje. De teksten zijn vaak heel aandoenlijk. De kleineren hopen natuurlijk dat meneer Levisson veel cadeautjes zal krijgen. Hans Kloosterman schrijft: ‘Beste Mijnheer Levisson, Ik heb gehoord, dat u jarig bent vandaag. Dus moet ik ook wat voor u doen. Daarom schrijf ik u maar een brief. Ik wens u nog zoveel jaar erbij, als u wilt hebben. hartelijke groeten van Hans Kloosterman’. Hij tekent op zijn briefje een hart en een vlag,  en versiert beide met Davidssterren. De twee jaar oudere Daniël de Vries komt met een prachtig gedicht, waarvan het laatste couplet luidt: ‘Blijf nog lange, lange jaren / Voor ons groot gezin gespaard. / Dat U de herinnering aan ons zult bewaren / En nog heel, heel vaak verjaart / Hoogachtend / Daniël de Vries’.

 

De weeshuiskinderen gaan vanaf hun zesde jaar school op de Langebrug. Daar staat dicht naast de Petruskerk (die in 1933 afbrandt en verbouwd wordt tot brandweerkazerne) het gebouw, dat twee scholen huisvest: een beneden- en een bovenschool. De leiding van het weeshuis verdeelt de kinderen min of meer gelijkelijk over de beide scholen; zo zitten er meestal één of enkele in een klas, maar er zijn ook klassen zonder weeshuisbewoners. Sporadisch komt het voor dat er aanzienlijk meer kinderen uit het weeshuis klasgenootjes van elkaar zijn. Bij Truus Pijnnaken (thans mevrouw Griffioen) zitten er zes in de (tweede) klas. Naar en van school lopen ze, onder begeleiding van de kinderjuffrouw, een vaste route – door het Plantsoen. Heel veel contact met de andere scholieren hebben ze niet: ze komen kort vóór de les begint, worden ‘tussen de middag’ opgehaald om in het weeshuis de warme maaltijd te gebruiken, en gaan aan het eind van de middag direct weer terug naar huis. Toch ontstaan er af en toe vriendschappen, zoals tussen Fanny Günsberg en Grietje de Graaf (thans mevrouw Stel). Fanny was in januari 1938 uit Duitsland naar het joodse weeshuis in Leiden gekomen; haar briefje in het album voor Levie Levisson is dan ook nog in het Duits. Ze komt op de Langebrugschool in de vierde klas bij Grietje, en de twee raken bevriend. In januari 1938 schrijft Fanny in Grietjes poeziealbum: ‘Beste Grietje. Als ik een dichteres geest bezat / Had ik op dit blad / Een heel mooi vers geschreven / Maar daar ik deze gave mis / Wens ik u wat het hartelijks[t] is / een lang gelukkig leven / Ter herinnering aan je schoolvrien[din]netje. Fannij Günsberg.’ Nog drie kinderen hebben een versje in het album geschreven. Betsy Wolff zet onder haar naam ‘C.I.W.D. Leiden’ – Centraal Israëlietisch Wees- en Doorgangshuis. Frieda Lichtenbaum vraagt Grietje haar niet te vergeten in vreugde en verdriet.

Als het al oorlog is, maken de weeshuismeisjes nog steeds versjes voor hun klasgenoten. De tienjarige Mary van Kam schreef op 25 maart 1941 de ontroerende woorden: ‘Lieve Mientje / Laat je lichtje schijnen / Helder in ’t rond / Laat het vriendelijk stralen / Waar je droefheid vondt / Laat het blijde flikkren / Waar je schertst of lacht / Krachtig, moedig branden / Waar het lot je wacht / Ter herinnering aan Mary van Kam’.

 

Wie van de weeshuiskinderen doorleert, gaat naar de Ambachtsschool aan de Haagweg of de Vakschool voor meisjes aan het Rapenburg; een aantal kinderen bezoekt de U.L.O. – gescheiden voor jongens en meisjes. De ouderen hebben werk, meisjes vaak in de huishouding, jongens in een tuinderij of op een andere plek, waar ze een praktisch beroep kunnen uitoefenen zoals dat vanzadelmaker of electriciën.

Het leven in het nieuwe weeshuis is goed: binnen voldoende ruimte om te spelen, te leren en te ontspannen. Buiten is er een grote tuin om te steppen, te volleyballen of te voetballen. Die ruimte moet een verademing zijn geweest voor zowel de kinderen als het personeel. Men keek de eerste jaren ver uit over de weilanden van de Roodenburgerpolder; hoe anders dan het benauwde ‘pakhuis’ aan de Stille Rijn, waar de binnenplaats niet groter was dan een kamer! Alles nieuw, alle zalen fris; voor elk doel een eigen ruimte. Er kon zelfs in de brede gang beneden getafeltennisd worden. Hier zou men lang, heel lang kunnen blijven.

De secretaris van het weeshuisbestuur, de heer Leman, schreef ter gelegenheid van de opening van het gebouw een gedenkboek: ‘[Dit boek] wil zijn het begin van een geschiedenis, waarvan, zoo God wil, het einde nimmer komen zal.’ Het heeft niet zo mogen zijn; veertien jaar later al kwam het einde.

 

 

  1. Joodse vluchtelingen uit Duitsland

 

Op 30 januari 1933 kwamen in Duitsland de nazi’s aan de macht. Hitler werd op die dag rijkskanselier, nadat de verkiezingen van november 1932 de National-Sozialistische Arbeiterspartei ruim 33% van de stemmen hadden gebracht. Dat waren er overigens minder dan de gecombineerde stemmen van links: socialisten en communisten behaalden samen 37%. De terreur tegen de politieke tegenstanders begon onmiddellijk; het eerste concentratiekamp, Dachau, werd geopend. Nog geen twee maanden later, in maart, had Hitler op ‘legale’ wijze alle macht aan zich getrokken: de komende vier jaar mocht zijn regering wetten uitvaardigen, zelfs als die van de grondwet afweken. Drie dagen na deze overwinning in de Rijksdag ontbood Hitler propaganda-minister Goebbels bij zich; er moest een grootschalige boycot van alle joodse zaken in Duitsland komen. Het geweld op straat was in de loop van maart begonnen – en had al geleid tot honderden ontslagen van rechters, advocaten, journalisten, musici en hoogleraren. Nu kwam er een ‘officiële’, van hogerhand geleide pogrom. Die duurde van 1 tot 4 april 1933.

De gevolgen van de boycot waren over de grenzen onmiddellijk merkbaar – tot in Leiden. Reeds op 6 april kwamen er negen kinderen, van twee gezinnen, uit Keulen naar het joodse weeshuis, waar ze tot eind juni zouden blijven. De jongste van het stel, de driejarige Marga Gurfinkel, staat op een groepsfoto die in die lente achter het weeshuis gemaakt werd.

De volgende dag, 7 april 1933, werd de eerste anti-joodse wet in het Derde Rijk afgekondigd, die – net als één van de eerste anti-joodse maatregelen in ons land, in oktober 1940 – het ontslag van joodse ambtenaren (en politieke tegenstanders) gebood. Er zouden er nog honderden volgen. In oktober 1933 hadden de nazi’s een ‘uniek Duits wetssyteem’ gecreëerd, waarin voor geen joden geen plaats meer was in het openbare leven – ze waren verdreven uit de regering, de vrije beroepen, en alle sociale, culturele en educatieve instellingen.

Een enorme vluchtelingenstroom uit Duitsland kwam op gang, ook naar Nederland: in 1933 alleen al werden 4.000 joden (en enkele honderden politieke vluchtelingen) toegelaten. Tot november 1938 kwamen daar nog 2500 joden bij. Het Comité voor Joodse Vluchtelingen, al in maart 1933 opgericht, deed wat het kon, maar de regering nam in de ogen van velen een ‘weerzinwekkende’ houding aan tegen deze slachtoffers van de nazi-terreur. Zeven jaar lang bleef het zijn beleid alleen baseren op circulaires, die door het parlement niet te controleren waren. Er was eigenlijk niet eens sprake van beleid: elk ministerie vond zijn eigen belang zwaarder wegen dan dat van de andere, en zeker dan dat van de vluchtelingen.

Eind 1937 werd de vluchtelingenpolitiek van de regering nog scherper. Die verscherping mondde uit in de brief die de minister van Justitie op 7 mei 1938 schreef aan de ambtenaren, die het beleid moesten uitvoeren: ‘de binnenkomst van verdere vluchtelingen kan niet meer worden toegestaan’; ‘een vluchteling zal voortaan als een ongewenst element te beschouwen zijn, die aan de grens geweerd en, binnenlands aangetroffen, over de grens gebracht zal moeten worden’. Toch konden in de periode maart tot en met oktober 1938 nog 1800 vluchtelingen het land binnenkomen.

In de nacht van 9 op 10 november 1938, de Reichskristallnacht, werden over heel Duitsland verspreid een paar honderd synagogen en andere joodse instellingen in brand gestoken, vele duizenden joodse zaken vernield en ongeveer 30.000 joodse mannen gearresteerd en naar concentratiekampen gestuurd. De Nederlandse regering reageerde onmiddellijk: door op 11 november de grensbewaking met 600 man te versterken. De verantwoordelijken kregen die dag een vertrouwelijke instructie: de grens moest, behoudens uitzonderingen, voor nieuwe vluchtelingen gesloten blijven. Wel werd er noodhulp geboden. De pers berichtte over dramatische gebeurtenissen aan de grens. Op 15 november besloot de regering in principe 2.000 vluchtelingen op te nemen. Eind december 1938 waren er echter al 7.000 toegelaten. Dat aantal liep tot maart 1939 nog tot 10.000 op.

 

Ook Leiden bood hulp en onderdak. Tussen april 1933 en mei 1940 kwamen er ongeveer 260 joden uit Duitsland naar de stad. Velen bleven kort of zeer kort – volgens de officiële politiek van het Comité voor Joodse Vluchtelingen was Nederland slechts ‘doorgangsland’ -, maar een deel van hen vestigde zich hier, duidelijk met de bedoeling om te blijven. Onder hen was de 57-jarige Leopold Mendel uit Dortmund, die in november 1933 met zijn vrouw op Mariënpoelstraat 15 kwam wonen en daar bleef tot zij in september 1940 met de andere niet-Nederlandse joden uit de stad het ‘kustgebied’ moesten verlaten (zie hoofdstuk 7). In december 1933 voegde hun 24-jarige dochter zich bij hen. Mendel voorzag zelf in zijn onderhoud: hij was kleermaker, en werd de vaste kleermaker van het joodse weeshuis.

Het weeshuis zelf speelde ook een vrij belangrijke rol in de opname van vluchtelingkinderen. Bijna tweederde van de 65 kinderen die er tussen april 1933 en juni 1941 kwamen wonen (de Duitse vakantiegangertjes en bezoekers uit het buitenland niet meegerekend), hadden een niet-Nederlandse nationaliteit: de meesten waren Duits, velen ook Pools (doordat hun ouders vóór 1933 uit Polen naar Duitsland waren gegaan). Twaalf van de 42 waren als kind van vluchtelingen in Nederland geboren; de rest kwam daadwerkelijk uit Duitsland, nadat Hitler daar aan de macht was gekomen. Een aantal van hen bleef slechts enkele maanden in het weeshuis, maar verreweg de meesten woonden hier enkele jaren of langer. Zeven Duitse en Duits-Poolse kinderen waren er nog, toen op 17 maart 1943 het weeshuis ‘ontruimd’ werd.

Onder hen waren Lotte Adler en haar zusje Henny. Zij waren, dertien en acht jaar oud, op 22 november 1938 met een kindertransport direct uit Frankfurt am Main naar het joodse weeshuis in Leiden gekomen; andere kinderen uit Frankfurt werden ondergebracht in verschillende joodse weeshuizen in Amsterdam. Met hen meegekomen was Edith Strauss,  even oud als Henny; haar ongetrouwde moeder had bij de Adlers in Frankfurt  ingewoond. De vader van Lotte en Henny was die zomer in Buchenwald vermoord; kort na de Kristallnacht zetten de moeders hun dochters op de trein naar het veilige Nederland en gingen daarna zelf, met het kleine broertje van Lotte en Henny, naar Amerika – met de bedoeling de kinderen zo snel mogelijk uit Leiden te laten overkomen. Inderdaad kwam al op 19 december 1938, vier weken later dus, een beschikking van het Ministerie van Buitenlandse Zaken – maar alleen voor Edith, die toch pas in oktober 1939 naar de Verenigde Staten vertrok. Lotte en Henny bleven achter – en bleven hopen.

 

In Leiden was een kleine, maar op elkaar betrokken en redelijk welvarende joodse gemeenschap. Die reikte de vluchtelingen uit Duitsland de hand, waar zij maar kon: geldelijke ondersteuning, hulp bij het beginnen van een zaak, verlenen van onderdak – tot aan het organiseren van collecten in de stad toe. In november 1938 werd, direct na de Kristallnacht, meer dan f 1.000,- ingezameld. De synagoge was van dit alles het middelpunt. Het kerkbestuur, dat de dagelijkse gang van zaken in de gemeente regelde, fungeerde als het plaatselijke comité van het vooral in Amsterdam actieve Comité voor Joodse Vluchtelingen. Vluchtelingen konden soms ook terecht bij landgenoten, die hen naar Nederland waren voorgegaan. Sommigen hadden hier familieleden, die hun hielpen. Zoals de familie Pollack, een echtpaar met twee zoons, die eind juni 1938 uit Breslau naar ons land vluchtte. Mevrouw Pollack was van oorsprong Nederlandse; familie van haar in Scheveningen had een pensionbedrijf aan de Rijnsburgerweg in Leiden te koop zien staan en voor hen gekocht, zodat de Pollacks hier in hun eigen onderhoud zouden kunnen voorzien. Na een verblijf van twee weken in Scheveningen, kwam de Breslause familie naar Rijnsburgerweg 163, waar ze het kamerverhuurbedrijf gedreven hebben, tot ze met Leopold Mendel en alle andere Duitse en Poolse joden uit Leiden – behalve de kinderen in het weeshuis – moesten ‘evacueren’.

 

  1. De joodse scholen

 

Tot dusver waren – afgezien van de op 4 juni 1941 uitgevaardigde verordening – alleen beperkte groepen joden in Nederland persoonlijk getroffen door de maatregelen van de bezetter. Begin september 1941 raakte de nazi-terreur voor het eerst de hele joodse gemeenschap. Tot in het hart: men richtte zich tegen haar kinderen. De meest weerlozen. Op de één-na-laatste dag van de zomervakantie kon iedereen in de krant lezen dat de joodse kinderen op school gescheiden moesten worden van de niet-joodse kinderen. De joden hoorden er niet langer bij.

 

Op 16 augustus 1941 stuurt het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming aan alle gemeentebesturen een circulaire, waarin deze maatregel van de Rijkscommissaris van het bezette Nederlandse gebied aangekondigd wordt en men verzoekt met ‘den grootst mogelijken spoed’ een opgave te verstrekken van het aantal leerlingen ‘van Joodschen bloede’ per school.

Vijf dagen later gaat er een brief uit van burgemeester en wethouders van Leiden naar de schoolhoofden in de stad. Alle scholen dienen de namen van hun joodse leerlingen op te geven; ook negatieve opgaven worden verwacht. Vanaf 25 augustus komen de antwoorden binnen, keurig voorzien van naam, geboortedatum en adres van de gevraagde groep. Op twintig van de ruim tachtig scholen in Leiden zitten dan kinderen ‘van Joodschen bloede’ – het woord ontbreekt in vrijwel geen enkele brief. Het zijn er in totaal 71: 6 op bewaarscholen, 29 op lagere scholen en 36 op wat we nu scholen van voortgezet onderwijs noemen.

Eén afzonderlijk deel van het Leidse onderwijs laat niets van zich horen en moet op 15 september aangemaand worden om alsnog te reageren: zes verenigingen van christelijk en gereformeerd onderwijs, en de Christelijke kweekschool. De vier besturen die op die aanmaning terugschrijven hebben kennelijk overleg gepleegd en besloten te volharden in hun weigering; hun brieven zijn naar de vorm identiek en naar de maatstaven van die tijd ronduit onbeleefd – en bovendien principieel weigerachtig. ‘Naar aanleiding van Uw verzoek om een nominatieve opgave van de Joodsche leerlingen onzer School’, schrijft – zonder aanhef! – de secretaris van de Christelijke Kweekschool, ‘heb ik de eer U mede te delen, dat ons Bestuur van meening is om principiëele redenen zijn medewerking niet te kunnen verleenen.’ Hij ondertekent slechts met ‘namens het bestuur […]’. Drie verenigingen, waaronder die van de gereformeerden – met een U.L.O. en vier lagere scholen onder zich -, zijn zelfs niet genegen op de aanmaning te antwoorden.

In de overige brieven zijn de meest uiteenlopende reacties aan te treffen: van met tegenzin toegevend tot uiterst kruiperig. Zo nam het hoofd van de lagere school aan de Rijnsburgerweg ‘beleefd de vrijheid’ melding te  doen van zijn ene joodse leerlinge; hij eindigt: ‘Met de meeste hoogachting, heeft hij de eer te zijn; Uw dienstwillige, […]’.

 

Het is in september 1941 direct duidelijk, dat er voor de middelbare scholieren – verdeeld over zeven verschillende schooltypen – geen joodse school of scholen in Leiden zullen worden gesticht. Een aantal van hen zal terecht kunnen in Den Haag. De vijf H.B.S.-leerlingen zijn welkom op het op te richten Joods Lyceum aan de Fisherstraat; de burgemeester is zelfs bereid de hogere kosten aan schoolgeld uit de gemeentekas bij te leggen. De U.L.O.-leerlingen moeten langer wachten; pas in januari 1942 wordt de Joodse U.L.O. (met een lagere school) in de Waalstraat, vlakbij Station Staatsspoor, geopend. Ze reizen er vanuit Leiden met de blauwe tram heen. Onder de elf kinderen zijn er vier jongens en een meisje uit het weeshuis. Het meisje is Fanny Günsberg. Ze had het jaar tevoren niet naar de H.B.S. gemogen, hoewel ze geslaagd was voor haar toelatingsexamen, en had zich tevreden moeten stellen met de meisjes-U.L.O. op de Breestraat. Haar vriend, Daniël de Vries, die ook in het weeshuis woont, zat toen op de jongens-U.L.O. op de Pieterskerkgracht. Nu kunnen de geliefden elke dag samen met de tram. Hans Kloosterman, zijn vriendje Jopie Beem en Charles Kirschenbaum gaan ook in Den Haag op school.

De Haanstra-kweekschool doet haar best de twee joodse leerlingen op school te houden: ze hebben daartoe een onderhoud met de N.S.B.-burgemeester De Ruyter van Steveninck. Deze laat zich door de argumenten van het schoolbestuur (‘er is geen andere scholingsmogelijkheid voor deze kinderen’) overtuigen en doet op 15 september een goed woordje voor hen – twee jodinnen – bij secretaris-generaal Van Dam van het Departement. Het mag niet baten. Het Departement geeft maandenlang geen antwoord. Na telefonisch nogmaals benaderd te zijn, geeft Van Dam op 16 december eindelijk uitsluitsel: verzoek afgewezen.

Onmiddellijk springen enige joodse ouders, die zelf kleuters hebben, op de bres voor één van de twee kwekelingen, Lotte Adler uit het weeshuis: hun kinderen blijven verstoken van onderwijs en dit meisje kan en wil het geven. Twee dagen later al vragen zij de burgemeester of hij een lokaal voor een kleuterklasje, dat zij wil starten, beschikbaar kan stellen. Eind januari trekken zij het verzoek weer in – de joodse gemeente ziet het gevraagde lokaal graag gebruikt voor godsdienstonderwijs. De ouders richten hun verzoek dan tot de joodse gemeente, wier lokaal voor godsdienstonderwijs naast de synagoge op het Levendaal door deze ‘ruil’ vrij zou komen. In februari 1942 zal de toen net zeventien jaar geworden Lotte daar haar klasje begonnen zijn, met zes kleuters.

 

Inmiddels zitten de oudere kinderen dan al een aantal weken op hun joodse lagere school aan het Pieterskerkhof, een voormalige R.K. jongensschool voor U.L.O..(Het gebouw staat er nog  en huisvest thans de spijbelopvang van de binnenstad.) De school heeft haar deuren op donderdag 27 november 1941 geopend; ze heeft de beschikking over twee klaslokalen op de begane grond en een kamer voor het hoofd, Bernard van Praag. Van Praag is een 31-jarige Montessori-onderwijzer uit Amsterdam, in november 1940 tegelijk met alle joodse leraren aan niet-joodse scholen ontslagen. Naast zich heeft hij een onderwijzeres van bijstand, welke functie achtereen volgens door verschillende vrouwen vervuld wordt.

De joodse lagere school – joods in zijn personeel, leerlingen en vakanties, merendeels gekoppeld aan de joodse, niet aan de christelijke feestdagen – was er bepaald niet vanzelf gekomen. Het aantal van 29 scholieren was bij lange na niet voldoende om in aanmerking te komen voor het oprichten van een afzonderlijke school: die moesten minimaal 50 leerlingen hebben. Toch besluit Van Dam op 28 oktober 1941 dat Leiden – samen met 31 andere gemeenten – hiertoe moet overgaan. Vijftien omliggende gemeenten worden aangeschreven, omdat de school een streekfunctie dient te krijgen. Uiteindelijk gaat de school van start met veertig leerlingen, in twee klassen. Daarbij zijn dertien kinderen uit het weeshuis, die die zomer nog op de Langebrugschool hadden gezeten. Onder hen ook het elfjarige zusje van Lotte Adler, Henny.

De joodse lagere school aan het Pieterskerkhof 4 zal slechts een kleine zestien maanden bestaan. Als op 23 maart 1943 de commissaris der provincie Zuid-Holland het huurcontract voor het gebouw tussen de gemeente Leiden en de Joodse Raad voor Amsterdam goedkeurt (de Raad moest vanaf 1 september 1942 het gehele joodse onderwijs in Nederland bekostigen), is de school al bijna een week dicht. Er zijn geen joodse scholieren meer in Leiden.

 

 

  1. Joods leven in Leiden in de jaren dertig

 

Leiden telde in de jaren dertig 300 à 350 joodse inwoners. Daarmee was de joodse gemeenschap een van de kleinere in het land. De meest essentiële voorzieningen waren wel aanwezig: begraafplaats, synagoge en chazzan  (voorzanger, de belangrijkste functie bij de diensten), maar geld voor een eigen rabbijn ontbrak. Voor de feestdagen werd een rabbijn van buiten de stad aangetrokken. Opperrabbijn Maarsen van Den Haag hield toezicht op de godsdienstige zaken van de Leidse gemeente, zoals het godsdienstonderwijs aan kinderen.

Tot de Joodse Gemeente Leiden behoorden tot 1927 veertien burgerlijke gemeenten: Leiderdorp, Voorschoten, Wassenaar, Oegstgeest, Valkenburg, Rijnsburg, Katwijk, Noordwijk, Noordwijkerhout, Hillegom, Lisse, Sassenheim, Voorhout en Warmond. In dat jaar ging Wassenaar over naar de joodse gemeente van Den Haag. In de overige dertien ‘randgemeenten’ hebben nooit erg veel joden gewoond. Tot aan de jaren dertig was het hoogste aantal ooit bij een volkstelling opgegeven dat van Noordwijk: 39; maar dat was wel in 1849 geweest. Ook in de andere gemeenten bereikte de joodse bevolking in de jaren 1840-1869 het hoogtepunt, maar nergens kwam dat boven de dertig uit. In Voorhout schijnen zich zelfs nooit joden gevestigd te hebben, en in Valkenburg kwam de eerste (en enige) pas rond 1935. In het begin van de oorlog was het beeld niet nog niet wezenlijk veranderd. In Leiderdorp woonde alleen het bejaarde echtpaar Van Hoorn, met hun vier ongetrouwde kinderen; Voorschoten telde veertien joodse inwoners, Noordwijk 27. De uitzondering was Oegstgeest, waar 46 joden te vinden waren – meer dus dan ooit in één van de omliggende gemeenten gewoond hadden. De aantrekkingskracht van het fraaie dorp op de meer gefortuneerde bewoners van Leiden bestond ook toen al. Warmond daarentegen had maar één joodse ingezetene, evenals Zoeterwoude (dat was een half-joodse vrouw, die in het liefdegesticht ‘de Goede Herder’ aan de Hoge Rijndijk woonde). Hillegom telde er twee, Sassenheim drie. Leiden, waar 356 joden woonden, en Oegstgeest samen namen volgens de laatste cijfers, die van 1942, meer dan 400 van de bijna 460 joodse zielen van de uitgestrekte Joodse Gemeente Leiden voor hun rekening.

 

Een belangrijk facet van het joodse leven in de stad was het weeshuis in de Roodenburgerstraat, waar zo’n veertig tot vijftig kinderen woonden. Het weeshuis had een landelijke functie en voorzag in een grote behoefte. Slechts vier andere steden beschikten ook over een weeshuis: Den Haag, Rotterdam en Utrecht hadden er elk één, Amsterdam telde er vier. De oudere weeshuisjongens zorgden er in sjoel (in de synagoge) voor dat er altijd ‘minjan’ was: het minimum van tien volwassen mannen dat nodig is voor een volledige dienst.

In de stad was de joodse aanwezigheid ook duidelijk zichtbaar in het vrij grote aantal zaken dat door joodse families gedreven werd. Alleen al op de Haarlemmerstraat telde men er in de jaren dertig zo’n twaalftal. Daar waren de twee zaken van de drie broers De Vries, allen in Leiden geboren: ‘Het Blauwe Huis’ voor vak- en bedrijskleding, en een herenkledingmagazijn. Ook hadden de vijf broers Van Amerongen, die kort voor 1900 uit Naarden naar Leiden waren gekomen, er enkele winkels geopend: de juwelierszaak, die door de zoon werd voortgezet, twee winkels voor confectiekleding. Schnitzler, die getrouwd was met een dochter van de oudste van de vijf broers,  Tenslotte waren de drie broers Van Frank ook ‘winkeliers in confectie’, op de Haarlemmerstraat en in de Donkersteeg. Op de Breestraat en de Botermarkt vond men deftige zaken zoals Maison de Pelleterie van de familie Müller, Loeb Woninginrichting en firma Wannée voor herenmode, gedreven door de familie De Marcas. De enige zoon van de heer en mevrouw De Marcas, Donald, geboren in 1933, groeide zorgeloos op in Leiden. Martijn de Marcas was een actief lid van de joodse gemeente: hij zat in de kerkeraad, en volgde in 1936 Van Kloeten op als penningmeester van het kerkbestuur, toen deze na zijn scheiding vertrok naar Den Haag. Ernst Loeb was, tot in 1941, voorzitter van ditg bestuur. De familie Loeb was goed bevriend met de familie De Marcas. In de kleine gemeenschap kenden de meesten elkaar goed; velen kwamen bij elkaar over de vloer.

Het fraaie, moderne pand Breestraat 52, op de hoek van de Vrouwensteeg, was in 1933-1934 gebouwd in opdracht van Benjamin van Kloeten als kantoorboekhandel en woonhuis. Van Kloeten heeft er nog geen twee jaar gewoond, maar bleef wel zijn zaak leiden. Tot 1983 is in het pand – een van de weinige gebouwen in Leiden in de stijl van de Nieuwe Zakelijkheid – nog een boekhandel gevestigd geweest. Dat geldt ook voor Kort Rapenburg 17, de bekende universiteitsboekhandel van Ginsberg, in 1922 gesticht door de uit Polen afkomstige Jacob Ginsberg en na de oorlog voortgezet door zijn gelijknamige zoon. Jaap Ginsberg overleed in 1993; sindsdien is zijn zaak opgegaan in Kooyker & Ginsberg.

De stad kende ook verschillende andere kleine joodse zaken, zoals de bakkerij van Weijl op Kloksteeg 3, de kruidenierszaak van Bierschenk op Levendaal 27 of de wijnhandel van Van Engel op Hogewoerd 29. In de Pieterskerkchoorsteeg zat de slagerij van Arie van Gelderen, uit één van de oudste joodse familie van Leiden. Vleeshouwers en veehandelaren – soms verenigd in één persoon – waren goed vertegenwoordigd in Leiden, een stad met een bekende veemarkt. Uit Onstwedde kwamen rond 1920 de drie broers Meijer, die allen in de veehandel zaten. Eén van hen trouwde hier met een dochter van de caféhouder van Hotel Rosenbaum, later Hotel Bamberger, op de Lammermarkt (gesticht door alweer een veekoopman, op een zeer geschikte locatie); de andere dochter van de caféhouder huwde Philip van Gelderen, broer van de net genoemde slager en zelf ook slager én veehandelaar.

Er werd natuurlijk ook gestudeerd in Leiden, door menig joods student, en gedoceerd. De stad telde in de jaren dertig twee joodse hoogleraren, professor Meijers, die vanaf 1910 burgerlijk recht en internationaal privaatrecht doceerde, en professor David, vanaf 1937 bijzonder hoogleraar in de Oosterse rechstgeschiedenis en de Grieks-Egyptische papyrologie, alsmede een lector, psychiater Gans.

 

Een groot aantal Leidse joden blijkt werkzaam te zijn geweest in de beroepen die vanouds al vele joden aantrok: de kleine handel, vooral die in textiel – veelal in de negentiende eeuw begonnen op straat en uitmondend in een kleine of grote zaak – en oude en nieuwe boeken, de veehandel en vleeshouwerij, en het recht – behalve twee hoogleraren ook nog drie advocaten-procureur. Er zijn in Leiden weinig joodse fabrikanten geweest: Beuth, in 1934 op hoge leeftijd overleden, met zijn fabriek van donzen en gewatteerde dekens op de Kaiserstraat, en Cohen van de Eerste Leidsche Lakfabriek.

 

De joodse bevolking van de stad toonde een groot verloop. Aan het eind van de jaren dertig telde Leiden nog slechts elf families die er een halve eeuw tevoren ook al woonden. Hoogstwaarschijnlijk was er toen nog maar één enkele familie die zich reeds in de achttiende eeuw in Leiden had gevestigd: de Van Gelderens. De andere tien families kwamen – soms als eenling, dan weer als gezin of als broers, zoals de Van Amerongens – in de negentiende eeuw naar de stad. Samen telden de leden van deze families eind jaren dertig nog geen zestig personen – ongeveer één-zesde van de totale joodse bevolking van Leiden. De rest van hen was later gekomen. Vooral na 1933 traden er – door de toenemende vluchtelingenstroom uit Duitsland – steeds meer veranderingen op in het bevolkingspatroon.

 

 

  1. De eerste anti-joodse maatregelen

 

Vrijdagochtend 10 mei 1940 in alle vroegte vielen de Duitsers Nederland binnen. Op de vijfde dag van de gevechten, dinsdagmiddag 14 mei, werd Rotterdam gebombardeerd – aanleiding voor opperbevelhebber Winkelman om enkele uren later te capituleren. Alleen in Zeeland streed men nog verder, tot ook daar een bombardement de binnenstad van Middelburg op 17 mei totaal verwoestte. Geheel Nederland was door de

Duitsers bezet.

Aanvankelijk leek het erop dat de bezetter de joden hier met rust zou laten; Reichskommissar Seyss-Inquart noemde hen zelfs de eerste tien maanden niet in zijn redevoeringen. Toch pleegden reeds in mei 1940 velen, zelfs hele gezinnen, zelfmoord. In Leiden gebeurde dat niet. Maar in juli werden de eerste maatregelen al afgekondigd:

geen joden meer bij de luchtbescherming, een verbod op ritueel slachten.

Het duurde tot 9 september 1940 voordat de niet-joodse bevolking iets begon te merken van de tegen de joden gerichte politiek van de nazi’s. Op die dag moesten alle buitenlandse ‘niet-Ariërs’ (lees: joden) het kustgebied verlaten. Het ging om heel Zeeland en westelijk Noord-Brabant en een brede strook van Zuid- en Noord-Holland, waartoe Rotterdam, Den Haag, Leiden en Haarlem behoorden. De maatregel maakt duidelijk hoezeer de Duitsers de joden als werkelijke vijanden zagen: ze waren zojuist de slag om Engeland begonnen en verwachtten kennelijk dat de joden in het kustgebied de Engelsen hulp zouden kunnen verlenen. Duizenden Duitse joden, die vanaf 1933 naar Nederland gevlucht waren, in de overtuiging hier veilig te zijn, werden opnieuw opgejaagd. Uit Leiden vertrokken gedwongen bijna 70 mensen – in de leeftijd van 4 tot 83 jaar. Enkelen hadden zich hier al zes of zeven jaar tevoren gevestigd, zoals het gezin van kleermaker Leopold Mendel; velen sinds 1938 of 1939, zoals de familie Pollack; een klein aantal was pas na het begin van de bezetting naar Leiden gekomen. Onder de ‘geëvacueerden’ waren ook Werner Rudolf Breslauer en zijn gezin. Breslauer had hier bijna drie jaar gewoond. Kort voor de Kristallnacht  was hij uit Leipzig naar Leiden gekomen en had vanuit een hotel naar een woning uitgekeken. Twee dagen na die beruchte nacht, van 9 op 10 november 1938, kwam zijn vrouw met hun drie kinderen over; 22 november namen ze hun intrek in Lorentzkade 8, schuin achter het weeshuis. Fotograaf Breslauer ging bij het lithografeerbedrijf Koningsveld aan de Breestraat werken en introduceerde daar – als eerste in Nederland – de fotolithografie. Na de oorlog zou hij wereldberoemd worden door de film, die hij in mei 1944 in Westerbork maakte en waarop onder meer het vertrek van een transport naar Auschwitz te zien is.

Naar alle waarschijnlijkheid gold de evacuatie-maatregel niet voor kinderen onder de zestien jaar die hier zonder hun ouders waren. Op de persoonskaart van Lotte Adler in het register van de Vreemdelingenpolitie werd aangetekend: ’18/2/41 Heeft toestemming om in Leiden te blijven.’ Lotte was anderhalve week eerder zestien geworden. Bij haar tienjarige zusje Henny werd niets op de kaart bijgeschreven. Kennelijk had het bestuur er rekening mee gehouden dat Lotte na haar zestiende verjaardag zou moeten vertrekken: het schonk het muzikale meisje toen een pianoboek, waarin secretaresse van het weeshuisbestuur Carolina van Loen schreef: ‘Ter herinnering aan…..

In september 1940 mochten zestien niet-Nederlandse kinderen in het weeshuis blijven. Ook Rudi Eichberg, het tienjarige Duitse pleegkind van een christelijk echtpaar op de Oude Vest, hoefde niet weg. Nog niet.

Een zeer vérstrekkende maatregel die de volgende maand van kracht werd was het verplichte tekenen van de ‘Ariërverklaring’ door alle Nederlandse ambtenaren, waarmee joden verklaarden joods te zijn, en niet-joden niet-joods. Echtgenotes en echtgenoten moesten ook opgegeven worden.Voor het eerst stonden talloze Nederlanders voor een levensgrote gewetensvraag. Er was her en der protest, maar getekend werd er.

Enkele weken later al kwam het onvermijdelijke vervolg: het directe ontslag van alle joodse ambtenaren, op 4 november aangekondigd. In Leiden vielen er alleen aan de universiteit al dertig ontslagen; de bekendste uit hun ambt ontzette joden waren de twee hoogleraren Meijers en David en de lector Gans. Naar aanleiding van  Meijers’ ontslag hield professor Cleveringa op 26 november 1940 een beroemd geworden rede voor zijn studenten; de rede werd onmiddellijk vermenigvuldigd. Cleveringa werd een dag later al gearresteerd en bracht acht maanden door in de strafgevangenis in Scheveningen.

 

De verordeningen van de tweede helft van 1940 hadden vele joden getroffen, maar vanzelfsprekend bij lange na niet alle – hoewel reeds duizenden hun woning of hun werk waren kwijtgeraakt. Het eerste volle jaar van de bezetting, 1941, zag echter de afkondiging van maatregelen, die voor alle joden in Nederland gold. Het eerste wat de bezetter daarvoor nodig had, was een volledig overzicht van deze bevolkingsgroep: hun aantal, hun adres, de ‘mate’ van hun jood-zijn. Op 10 januari 1941 verscheen daartoe de zeer belangrijke verordening die aanmelding en registratie van allen voorschreef. Nalatigheid werd beschouwd als een misdrijf, te bestraffen met vijf jaar opsluiting en/of verbeurdverklaring van het vermogen. Vrijwel niemand was nalatig.

Begin september 1941 beschikten de Duitsers over het definitieve overzicht: ruim 140.000 joden, bijna 15.000 halfjoden en bijna 6.000 kwartjoden. ‘Halfjoden’ waren mensen met twee joodse grootouders; ze werden ‘G-1’ genoemd. ‘Kwartjoden’, met één joodse grootouder, heetten ‘G-2’. De ‘G’ stond voor ‘gemengd bloed’.

De Duitsers waren buitengewoon te spreken over de ‘voorbeeldige’ medewerking van de ambtenaren van het bevolkongsregister. In Leiden en de omliggende gemeenten die tot de joodse gemeente Leiden behoren, hadden zich 470 joden aangemeld, plus 151 ‘halfjoden’ en ’70’ kwartjoden. Die laatste twee getallen zijn zeer opmerkelijk: nergens in Nederland was het percentage ‘half-‘ en ‘kwartjoden’ zo hoog als in Leiden – ruim 30% van het totaal.

Met de verwerking van de registratie van de in hun gemeente woonachtige joden was echter het werk van de ambtenaren van de burgerlijke stand nog niet gedaan: op 3 juli 1941 ontvingen de burgemeesters een circulaire met de bepaling van politiechef Rauter, Generalkommissar für das Sicherheitswesen: op de persoonsbewijzen, waarvan de invoering gaande was, moesten joden tweemaal een grote J in diep zwarte stempelinkt krijgen. Het eerste brandmerk.

De beroemde Februari-staking in Amsterdam van 25 en 26 februari 1941, een in Europa uniek protest tegen de jodenvervolging, ging vrijwel geheel aan Leiden voorbij. Wel hadden studenten kort tevoren overal in de stad een manifest aangeplakt, waarbij zij impliciet protesteerden tegen de numerus clausus van joodse studenten.

Nog vóór alle joden zich persoonlijk moesten aanmelden, had die plicht al gegolden voor de ondernemingen die geheel of gedeeltelijk joods waren (volgens de verordening van 22 oktober 1940). Ruim 22.000 meldden zich aan. In maart 1941 kregen deze zaken een bewindvoerder, een Verwalter; in de loop van het jaar werd 90 % van de joodse ondernemingen geliquideerd, 10% (vanzelfsprekend de belangrijkste) ‘geariseerd’. Zo bracht men de joodse middenstand aan de bedelstaf. Enkele tientallen zaken in Leiden moesten gesloten worden. In augustus 1941 begon men beslag te leggen op de joodse geldelijke vermogens en werd al het joodse grondbezit ‘overgenomen’.

 

Reeds in oktober 1940 was er een algeheel verbod van de joodse persorganen gekomen; het moest tot april 1941 duren vóór Het Joodsche Weekblad begon te verschijnen, de krant die meer en meer tot taak kreeg de joodse gemeenschap op de hoogte te brengen van alle tegen haar gerichte maatregelen van de bezetter – berichten die vaak vergezeld gingen met waarschuwingen van de Joodse Raad tegen het niet gehoor geven eraan. Die raad was in februari opgericht op eis van de Duitsers. Ze zou alle Amsterdamse joden moeten vertegenwoordigen en verantwoording aan de bezetter schuldig zijn.

De maatregelen volgden elkaar in hoog tempo op. April 1941: verhuizen uit Amsterdam naar andere plaatsen niet meer toegestaan; mei 1941: toegang tot de effectenbeurzen verboden; uitoefening van de vrije beroepen door joden uitsluitend nog voor mede-joden (advocaten, artsen, tandartsen, apothekers). In juni 1941 verscheen een ‘mededeeling over de beperkte bewegingsvrijheid voor Joden’, die hen zo goed als allemaal, en speciaal ook de kinderen, trof: het was voortaan aan joden verboden publiek te baden in ‘zee-, strand-, zwembaden en overdekte badinrichtingen’, alsmede publieke plantsoenen en lokalen te betreden. Aldus de ‘Ambtelijke bekendmaking’ op de voorpagina van het Leidsch Dagblad van 4 juni. Op overtreding stond hechtenis van maximaal zes maanden en/of boete tot 1000 gulden, ‘voor zoover niet volgens andere bepalingen een hoogere straf is bepaald’.

 

 

  1. Naar een totaal isolement

 

Tussen twee ‘beschikkingen over het optreden van joden in het openbaar’ lag de weg van de joodse gemeenschap in Nederland naar het totale isolement, de volledige uitsluiting uit het openbare leven. Niet toevallig werd de tweede beschikking afgekondigd op 30 juni 1942, vier dagen nadat de Joodse Raad voor Amsterdam te

horen had gekregen dat er een ‘polizeilicher Arbeitseinsatz’ van mannen en vrouwen van 16 tot 40 jaar zou plaatsen vinden, en vijf dagen vóór de eerste oproepen daarvoor verstuurd werden. De woorden stonden voor deportatie naar Auschwitz.

In het Leidsch Dagblad van 15 september 1941 verscheen, op de derde pagina, de eerste beschikking: ‘Het optreden van joden in het openbaar. Nader bij verordening vastgesteld’. In twee artikelen werd gezegd wat aan joden voortaan was verboden: het bezoek aan openbare parken en dierentuinen, aan café’s en restaurants, het verblijf in hotels en pensions, het bezoek aan schouwburgen, bioscopen en dergelijke en aan sportinrichtingen en zwembaden, het deelnemen aan ‘openbare artistieke vertooningen’, het verblijf in en gebruikmaken van openbare bibliotheken en musea, het deelnemen aan openbare markten, veilingen en goederenbeurzen. En voor verhuizen was vanaf die dag een vergunning nodig. Die kreeg men vrijwel alleen maar als men naar Amsterdam ging, de stad waar vanaf januari 1942 vele joodse gemeenschappen uit de provincie gedwongen werden te gaan wonen: hoe meer joden bij elkaar in één stad vastzaten, des te gemakkelijker zou hun wegvoering straks verlopen.

 

In die zomer had men al niet meer mogen zwemmen; nu verbood de bezetter de joden deelname aan het culturele seizoen – en nog veel meer. Alle vreugde leek uit het leven te verdwijnen; het is niet toevallig dat in het fotoalbum van Donald de Marcas, een joodse jongen in Leiden, foto’s uit de oorlogsjaren na een prachtige serie van oktober 1941 (hij is dan acht jaar) zo goed als ontbreken.

De sluiting van de herenmodezaak van zijn vader, firma Wannée, volgde kort daarop. Een vriend van Martijn de Marcas, Han de Wilde, die een zaak op de Breestraat had, schreef op 2 november in zijn dagboek: ‘De Marcas kreeeg Zaterdagochtend een expressebrief, dat zijn textielvergunning per a.s. maandag 3 november was ingetrokken en dat hij binnen enkele dagen nadere instructies zou krijgen voor controlering en verzending der goederen. Met één slag wordt dan zijn zaak gesloten, zijn goederen gestolen en zijn bestaansmogelijkheden afgenomen! […] Jude, verrecke! Zonder éénige aanleiding! En dat noemt men beschaving en nieuwe orde! Barbarisme is het!’

Maar het werd allemaal nog veel en veel erger. Hoe erg, zou de goede verstaander hebben kunnen opmaken uit een artikel op de voorpagina van het Leidsch Dagblad van 14 november 1941: ‘De Joden hebben de schuld’. Het is een uit een Duits blad overgenomen stuk van propagandaminister Goebbels. Maar wat hij schreef was geen propaganda; het was de nazi-visie, die onverbiddellijk in de praktijk werd gebracht. ‘De joden wilden hun oorlog, zij hebben hem nu. Doch ook aan hen wordt de voorspelling van den Fuehrer in den Duitschen rijksdag bewaarheid, dat wanneer het den internationalen geldjood zou gelukken nog eenmaal de volken in een wereldoorlog te storten, het resultaat hiervan niet de bolsjewiseering der wereld en daarmee de overwinning van het jodendom zou zijn, maar de vernietiging van het joodsche ras in Europa. Wij beleven thans het oogenblik, waarop deze voorspelling uitkomt.’ (cursivering van der auteur). De bouw van het eerste dodenkamp, Belzec in het Generalgouvernment (het niet door Duitsland geannexeerde deel van Polen), was twee weken tevoren begonnen.

‘Iedere jood is een gezworen vijand van het Duitsche volk’. Het artikel liet niets aan duidelijkheid te wensen over, en verklaarde ook de invoering van ‘de gele jodenster’. Die was sinds twee maanden in Duitsland verplicht; in Nederland zou dat nog een half jaar duren. Eerst moest het publiek nog duidelijk gemaakt worden waar joden niet meer welkom waren. Dat gebeurde door middel van de bordjes ‘Voor Joden verboden’, die vanaf eind januari 1942 ook overal in Leiden verschenen. Veertienjarige Grietje de Graaf weigerde nog een voet in het Plantsoen te zetten, uit solidariteit met haar vroegere schoolvriendinnetje Fanny Günsberg, een meisje uit het joodse weeshuis. En zij is zeker niet de enige geweest die zo gehandeld heeft.

Die maand werden ook de joodse werkkampen opgericht. Er kwamen er 42 in ons land. Ze waren bedoeld voor werklozen – maar welke joden hadden nog werk? In kamp Vledder kon wegens de barre temperatuur van 10 januari tot 28 maart niet gewerkt worden, maar in juni, toen er vier Leidse joden arriveerden, was de werkdag bijna tien uur lang, het eten karig en de vrijheid minimaal. Doel van de kampen: de joden, die immers ‘uit het straatbeeld moesten verdwijnen’, bezig te houden. Voorlopig.

 

De anti-joodse verordeningen volgden elkaar nog steeds in hoog tempo op. Oktober 1941: per 1 januari 1942 geen niet-joden meer in dienst bij joden, uitgezonderd bij de joodse instellingen; die kwamen 1 april aan de beurt. De laatste twee dienstboden van het weeshuis – de dienstboden daar waren bijna steeds niet-joods geweest – werden

op 31 maart ontslagen. Vanaf januari 1942: gedwongen verhuizingen uit de provincie naar Amsterdam. Maart 1942: gebruik personenauto’s verboden. Op 27 maart verscheen een ijzingwekkend bericht in het Joodsche Weekblad: ‘Naar ons door de betrokken Duitsche autoriteiten wordt medegedeeld, is aan Joden het huwen en de buitenechtelijke geslachtelijke omgang met niet-Joden verboden.’ De joden als onaanraakbaren.

En dan, na de twee zwarte J’s op het persoonsbewijs, het tweede brandmerk, nu één dat voor iedereen zichtbaar was. Op de voorpagina’s van de kranten verscheen op woensdag 29 april 1942 alweer een ‘Bekendmaking’: ‘Een Jood, die zich in het openbaar vertoont, moet een Joden-ster dragen. […] De Jodenster bestaat uit een zwart geteekende zespuntige ster uit gele stof ter grootte van een handpalm met het zwarte opschrift “Jood”. Deze moet zichtbaar en vast opgenaaid op den linkerkant ter borsthoogte van het kleedingstuk worden gedragen.’ Het was de terugkeer van de Middeleeuwen, maar hoe zouden de joden zich aan deze verordening moeten onttrekken? Alleen kinderen van onder de zes jaar waren vrijgesteld van het dragen van de ster. De sterren kostten vier cent per stuk; men had er voorlopig vier per persoon nodig. Op zondag 3 mei werd het dragen ervan verplicht.

Een dag vóór de bekendmaking in de kranten van deze middeleeuwse maatregel gebood de Kommissar für die Provinz Süd-Holland  alle gemeentebesturen in de provincie opgave te doen – in vijfvoud – van alle in de gemeente woonachtige joden aan de Zentralstelle für jüdische Auswanderung in Amsterdam. De Zentralstelle regelde de deportatie van de joden uit Amsterdam en hield de administratie van alle te deporteren Nederlandse joden bij. Van enkele gemeentebesturen zijn de data van hun opgave bekend: zo reageerde Oegstgeest, dat 46 joden bij de bezetter ‘aanbracht’, op 1 mei 1942. Leiden is wellicht iets later geweest, door het veel grotere aantal joden dat in de stad woonde: haar 25 pagina’s  lange lijst bevat 357 namen, met bij elke naam geboortedatum en -plaats, nationaliteit, burgerlijke staat, beroep en adres. Onder deze 357 joden waren 31 gemengd gehuwden. Acht weken vóór de voorzitters van de Joodse Raad voor Amsterdam van de Duitsers te horen kregen dat de deportaties ‘naar Duitsland’ begonnen, beschikte de bezetter over actuele informatie over de adressen van alle Zuid-Hollandse joden.

 

Nog steeds was er geen einde gekomen aan de peilloze vernedering en de uitsluiting van de Nederlandse joden. Maar het isolement moest totaal worden, voordat de bezetter kon overgaan tot uitvoering van zijn uiteindelijke doel: deportatie. Dus verscheen op 30 juni 1942 op de voorpagina’s van de dagbladen een ‘Tweede beschikking over het optreden van Joden in het openbaar’. Het eerste artikel diende ervoor het ’s avonds en ’s nachts thuis ophalen mogelijk te maken: joden moeten van acht uur ’s avonds tot zes uur ’s morgens in hun woningen verblijven. En ook overdag mochten zij zich niet meer bij niet-joden ophouden ‘in woonruimten, tuinen, zowel als in andere particuliere inrichtingen […] welke voor herstel en ontspanning dienen’. Winkelen in niet-joodse zaken was voortaan alleen toegestaan tussen drie en vijf uur. Gebruik maken van elke soort van openbare en particuliere vervoermiddelen: verboden. Alleen in Amsterdam mocht nog gefietst worden (elders had men zes dagen tevoren de fietsen moeten inleveren) – tot 20 juli; toen werd ook aan dat ‘voorrecht’ een einde gemaakt. Publieke telefooninstallaties waren vanaf 30 juni ‘voor joden verboden.’ Aan de particuliere maakte de bezetter per 25 juli buiten Amsterdam een eind.

Gebrandmerkt, vrijwel  verstoken van contact met niet-joden en elk middel van vervoer, ’s avonds en ’s nachts opgesloten in hun woningen, konden de Nederlandse joden zonder veel extra moeite door de bezetter en zijn helpers opgepakt en weggevoerd worden – naar Westerbork, en verder, naar de dood.

 

 

  1. Oproepen, deportaties, onderduik

 

Op zondag 5 juli 1942 werden de eerste oproepen per extra bestelling door de post verstuurd. ‘Oproeping! U moet zich voor eventueele deelname aan een, onder politietoezicht staande, werkverruiming in Duitschland voor persoonsonderzoek en geneeskundige keuring naar het doorgangskamp Westerbork, station Hooghalen, begeven.’ Exact werd aangegeven wat er als bagage en ‘marschproviand voor 3 dagen’ meegenomen mocht worden. ‘Eventuele deelname’ aan een ‘werkverruiming in Duitsland’ – om die schijn in stand te houden, werden de eerste weken voornamelijk jonge mannen en vrouwen opgeroepen.

De deportaties begonnen in Amsterdam. In de nacht van 14 op 15 juli en de daaropvolgende nacht moesten er 1400 joden aan het Centraal Station klaarstaan – waaronder meisjes van zestien, zonder hun ouders. Velen doken onder; er kwamen de eerste nacht nog geen duizend, de tweede nacht minder dan zeshonderd opgeroepenen.            Rotterdam, naar grootte de derde joodse gemeente van ons land, zag het eerste transport naar Westerbork op 30 juli vertrekken. In Den Haag, na Amsterdam de stad met de grootste joodse bevolking, vingen de deportaties pas op 18 augustus aan. Toen was er al een aantal Leidse joden weggevoerd.

De allereersten die gingen, waren niet opgeroepen, maar werden op zondag 2 augustus 1942 onverwachts thuis gearresteerd: letterlijk van hun bed gelicht. Het betrof vijf mensen die de Duitsers als katholieke joden beschouwden. De katholieke kerken hadden (net als de gereformeerde) de zondag ervoor in de dienst een telegram voorgelezen, dat het Interkerkelijk Overleg op 11 juli naar Seyss-Inquart, Rauter en nog twee van de hoogste Duitsers in ons land had gestuurd om te protesteren tegen de jodenvervolging. Als straf besloot Seyss-Inquart onmiddellijk alle katholieke joden te deporteren. Verzamelpunt was de Haagse dierentuin; vandaar werden de 245 gearresteerden naar Amersfoort gevoerd en de meesten van hen twee dagen later naar Westerbork.  Elviere Sanders-Platz, de in Duitsland geboren weduwe van zeepfabrikant Sanders, van werd op 9 augustus 1942 op 50-jarige leeftijd in Auschwitz vergast; zij was de tweede Leidse jood die in dit kamp om het leven werd gebracht. De gemengd-gehuwde Gustaaf Barnstijn (de enige vermoorde gemengd-gehuwde jood uit Leiden) ging haar op 28 juli voor; hij was echter niet vanuit Westerbork weggevoerd.

De ‘geregelde’ deportaties begonnen in Leiden een paar dagen eerder dan in Den Haag. Voor 14 augustus 1942 had men een aantal voornamelijk jonge mensen opgeroepen; een deel van hen dook onder, met de rest van de familie. Onder hen Elly Boasson, achttien jaar, uit de De Laat de Kanterstraat 15; over haar onderduik zulen we nog horen. Zes jongemannen en de zuster van één van hen, allen in de leeftijd van 18 tot 28 jaar, en een echtpaar van middelbare leeftijd meldden zich en werden reeds drie dagen later ‘doorgezonden’ naar Auschwitz. Geen van hen overleefde de oorlog.

Van bijna allen is in het Politiearchief nog aanwezig het ‘Rapport voor den Befehlshaber der Sicherheitspolizei u.d. S D für die besetzten niederländischen Gebiete. Afdeeling: Zentralstelle für jüdische Auswanderung’, een voorbedrukt formulier ter controle van de woning, met vragen over de ‘te evacueeren personen’. Ze zijn op 22 augustus ingevuld door Leidse politieagenten. Op het formulier van Max de Vries, 26

jaar, lezen we: [de niet afgesloten en/of verzegelde woning] ‘wordt bewoond door achtergebleven moeder’; bij de 25-jarige Alexander Fontein: ‘De ouders van Alexander Fontein wonen nog in dit perceel, zijn 82 jaar en 69 jaar.’ Alle drie de ouders werden opgehaald bij de razzia van 17 maart 1943.

Onder druk van de dreigende deportaties werden steeds meer kinderen in het joodse weeshuis ondergebracht. In totaal waren dat er tot en met februari 1943 24. Een veel kleiner aantal verliet juist het huis. Zo vertrok de vijftienjarige Bram Degen op 13 juli 1942 naar Gouda. Op dezelfde dag werd Benno Redisch, drie jaar oud, uit het weeshuis gehaald.

 

Eind september 1942 werden de hoge feestdagen – joods nieuwjaar en Grote Verzoendag – voor het laatst gevierd in de synagoge. ‘Voor de verrassing, die U mij heden bereid hebt, door het zenden van heerlijk en kostelijk fruit, zeg ik U bij dezen gaarne dank’, schreef weeshuisdirecteur Italie, die hulpchazzan was geweest bij de diensten, aan het bestuur van de joodsde gemeente.  Hij besloot zijn brief  ‘in de  verwachting en met den wensch, dat geheel Israel volgend jaren de godsdienstige feest- en gedenkdagen werkelijk zal kunnen vieren’.

 

Begin oktober 1942 stelde de Leidse politie een ‘Lijst van joden die geevacueerd zijn’ op. Kennelijk was er een periode afgesloten, want zo’n overzicht  werd daarna nog maar één keer gemaakt: eind maart 1943, na de twee razzia’s. Er staan 26 mensen op, onder meer de drie echtgenotes (van wie twee met een kind) van mannen die eerder naar een werkkamp waren gegaan. Alle 42 joodse werkkampen werden op 3 oktober opgeheven, de mannen naar Westerbork gevoerd, de vrouwen en kinderen thuis opgehaald en ook daarheen op transport gesteld. Elisabeth Hangjas – een veertienjarig meisje uit Den Haag dat bij haar oom en tante in Leiden woonde en haar ouders ‘achterna reisde’ toen ze hoorde dat zij gedeporteerd waren – ontbreekt op deze lijst; ze ging half oktober.

Tegelijkertijd schreef dezelfde politiebeambte een ‘Lijst van joden welke in strijd met Art. 3 der bekendmaking van de Commissaris-Generaal voor de Openbare Veiligheid van 15 Sept. 1941, van woonplaats zijn veranderd en in het Alg. Politieblad zijn gesignaleerd‘ (cursivering van de auteur). Ondergedoken joden werden dus als voortvluchtige misdadigers beschouwd. Het blijken er 53 te zijn – tweemaal zoveel als ‘geëvacueerd’ waren. Ben Meijer is op de lijst doorgestreept en op de eerstgenoemde lijst toegevoegd: ‘bij vlucht gearresteerd’, noteerde de opsteller. Hij was de enige uit de gezinnen van de drie broers Meijer, in de jaren twintig uit Groningen naar Leiden

gekomen, die gepakt werd: verraden in Katwijk bij zijn poging naar Engeland over te steken. Ben werd op 11 juni 1943  in Sobibor om het leven gebracht.

 

 

Ruim vier maanden lang liet men de Leidse joden daarna met ‘rust’ – hoewel van rust natuurlijk geenszins sprake was, slechts van angst, het sussen van de angst en wachten, wachten op het ergste, dat elk moment kon komen.

Overal elders ging het ophalen van joden onverminderd door. Men wist dat – zonder reismogelijkheid, zonder telefoon; maar het briefverkeer was joden niet verboden. Zo hoorden velen wat er in het land gaande was. Dat ‘Het Apeldoornsche Bosch’, het Centraal Israëlietisch Krankzinnigengesticht in Apeldoorn, als eerste joodse instelling was ‘ontruimd’, wist men een paar dagen later in het joodse weeshuis in Leiden; een verpleegster had haar broer hier geschreven dat ze ook wegmoesten. Op 10 februari volgden de Amsterdamse weeshuizen, de 26ste van die maand het Rotterdamse; het Centraal Israëlietisch Weeshuis in Utrecht bestond al sinds september 1942 niet meer. Alleen de joodse weeshuizen van Den Haag en Leiden waren nog over. Maar men wist in Leiden dat men niet gespaard zou blijven; de rugzakjes, gemaakt uit markiesdoek, stonden klaar voor het vertrek.

 

 

  1. Maart 1943

 

Op de eerste dag van de maand die het einde zag van de georganiseerde joodse gemeenschap in Leiden, maart 1943, werd een aantal ‘prominenten’ uit die gemeenschap overgebracht naar Barneveld, ofwel het Joods Tehuis Barneveld, gevestigd in kasteel De Schaffelaar. Het waren professor  Martin David en voorzitter van de Raad

van Arbeid Sal Mok, beiden met vrouw en twee jonge kinderen, en leraar Nederlands Bernard Noach met zijn vrouw en twee volwassen zoons. Zij konden in Barneveld als gezin bij elkaar blijven en mochten zelfs huisraad meenemen. Niet dat ze er zo lang bleven: eind september al werd ook dit kamp voor bevoorrechten opgeheven en werden de bewoners naar Westerbork gevoerd.

Vier dagen later, in de nacht van 5 op 6 maart 1943, vond de eerste razzia in Leiden plaats. Het dagrapport van de Leidse politie vermeldt op vrijdag 5 maart: ‘Te 15.40 uur Deelt de inspecteur Kruizinga mede, dat de Joden in de Ziekenhuizen op een kamer moeten worden gebracht en onder bewaking van een agent gesteld.’ De

volgende middag neemt deze ‘foute’ inspecteur voor een uur de dienst over van de ‘goede’ inspecteur van politie Van der Wal en rapporteert dan ‘dat op last van de Sipo [Sicherheitszpolizei] te Den Haag (Hauptsturmf. Fischer) op Vrijdag, 5 Maart 1943 in deze gemeente een 25-tal joden werd aangehouden en overgegeven aan de Sipo. Tevens

werden 8 joden door de Sipo uit het Elisabeth Ziekenhuis alhier gehaald.’

Uit de formulering blijkt dat de Duitsers de zieken zelf uit het ziekenhuis haalden, maar het ‘aanhouden’ van 25 joden in de stad aan de Leidse politie overlieten. Donald de Marcas, toen negen jaar oud, herinnert zich dat moment nog goed. Het gezin woonde in bij de familie Mok in de Roodenburgerstraat, schuin tegenover het weeshuis; hun eigen huis aan de Botermarkt was, als zovele huizen, gevorderd door de Duitsers. ‘De deur van de slaapkamer ging open, licht scheen naar binnen, en moeder stond in de deuropening met een vreemde Nederlandse meneer in een regenjas. Hij had een lantaarn in de hand. Ik moest opstaan, kleren aan, en we werden in personenauto’s gezet. We kwamen aan bij het politiebureau in de Zonneveldstraat. We werden naar een grote cel gebracht, waar – ook op de gang – al heel wat andere mensen [tegelijkertijd opgepakte Leidse joden] waren. Ze hadden, net als wij, volle koffers en gevulde slopen bij zich. Er hing een loodzware stemming. Men zei niets, of men fluisterde. Iedereen keek bang.

Op een gegeven moment werden we opgehaald; we moesten naar buiten, de donkerte in. Voor het politiebureau stond een soort vrachtwagen, met banken. Daar moesten we inklimmen. We zaten naast elkaar met al die bagage vóór ons of op onze knieën. Na een hobbelende rit door de nacht kwamen we aan bij het station Hollands Spoor in Den Haag. Daar werd iedereen een perron op, een gereedstaande trein in gedreven. Vader zei tegen moeder en mij: ‘Niet doen. Blijf hier op het perron. Ik ga iemand zoeken.’ Het duurde lang voor hij terugkwam met een Duister. Na de oorlog vertelden mijn ouders me, dat dat Fischer was. ‘Judenfischer’. Omdat vader zich had laten overhalen om de Joodse raad in Leiden te vertegenwoordigen (vader had nauwelijks politiek benul, en hij dacht oprecht op deze manier andere joden te kunnen helpen, wat hij ook dééd), kreeg hij van Fischer gedaan dat we nog niet de trein in hoefden, dat we terug mochten. Fischer bleek dronken. Hij zei nog tegen vader: ‘Ihr Gesicht gefällt mir nicht’.

Het dag- en nachtrapport van 5 maart 1943 noemt de twee namen van de politieagenten, leden van het Leidse korps, die om 1 uur ’s nachts ‘het transport joden naar Den Haag’ begeleidden. Naar Westerbork gingen die nacht onder meer uit de Tiboel Siegenbeekstraat Victor Bloemkoper, de chazzan van de gemeente, met zijn

vrouw en vier jonge kinderen, en Jacob Blitz, Donalds vioolleraar, met zijn vrouw en 86-jarige schoonmoeder, die bij de Bloemkopers hadden moeten intrekken. Dochter Alice zat sinds eind oktober 1942 – veilig, had men gedacht – in het joodse weeshuis, om de hoek. De ‘Interne Informatie’ van de Joodsche Raad voor Amsterdam meldde op 10 maart: ‘De berichten, dat de bewoners van het Centraal Isr. Wees- en Doorgangshuis mede op transport zyn gesteld, zyn onjuist’.

Uit dit rapport blijkt dat de razzia onderdeel was van een ‘Evacuatie Den Haag, Leiden en Delft’: ‘In den nacht van 5-6 Maart zyn uit Den Haag op transport gesteld de nog in het Gemeente Ziekenhuis en in het R.K. Ziekenhuis aanwezige Joodsche patienten, zulks in verband met het feit, dat een aantal verpleegden zonder vergunning het ziekenhuis had verlaten. […] Mede op transport werden gesteld de verpleegden in de beide nog in gebruik zynde rusthuizen van den J.R. [Joodsche Raad]. Voorts de geheele bevolking van het Joodsche Weeshuis te Den Haag, waarvan het gebouw door de Duitsche autoriteiten was gevorderd. Aan het transport zyn toegevoegd eenige zieken, afkomstig uit Delft, eveneens de daar nog aanwezige vertegenwoordigers van den J.R.

Uit Leiden zyn op transport gesteld enkele zieken, benevens eenige functionarissen van den J.R. De plaatselyke Hoofdvertegenwoordiger werd vrygesteld.’ Dit rapport verklaart tevens waarom de die nacht opgepakte joden naar Den Haag werden gebracht, en niet rechtstreeks op de trein naar Westerbork werden gezet. Dat zou anderhalve week later, op 17 maart, wel gebeuren. En toen ook werden de bewoners van het Centraal Israëlietisch Wees- en Doorgangshuis wél ‘mede op transport gesteld’. Onder hen Alice Blitz en met haar nog 16 anderen, die vanaf het begin van de deportaties in juli 1942 waren ondergebracht in het weeshuis; de jongste van hen was Louis Bobbe, tien dagen tevoren twee jaar geworden.

 

Ondanks alle pogingen van buurman Hijme Stoffels, die in april 1942 op Cronesteinkade 20 was komen wonen, naast directeur Italie, wilde Italie zijn kinderen niet laten onderduiken. Gewaarschuwd werd hij meer dan eens –  door een of twee Leidse politieagenten (via via), door de conciërge van het politiebureau, door een jonge

vrouw, Nees Barnhoorn, die in het communistische verzet zat en op een avond kort voor de ‘ontruiming’ het plan daarvoor aantrof in een la van een hoge Leidse politieman, op wiens kinderen ze paste. Maar de directeur gaf geen gehoor aan die waarschuwingen en verbrak alle contact met het verzet.

Op woensdagmiddag 17 maart 1943 was het te laat. Om kwart over vijf – oud-weeshuiskind Hans Kloosterman, toen zestien jaar oud, ziet de klok in de hal nog voor zich – werd het weeshuis omsingeld door ‘tien, twaalf man’, zoals Stoffels in 1973 aan twee journalisten vertelde, die een artikel over ‘de vernietiging van het joodse weeshuis te Leiden’ schreven. Een anonieme zegsman vertelde de journalisten dat de Leidse politie met 25 man aanwezig was. Cees van Holland, de zeventienjarige zoon van de conciërge van politie, die boven de dienstingang aan de Langebrug woonde, herinnert zich ook dat het zeker 20 agenten waren: ‘Ik had een middagje thuis gesjoeld met een paar vrienden van de jeugdclub waar ik lid van was en mijn vader had gevraagd of ik de meisjes naar huis wilde brengen. Eén woonde op de Hogewoerd, de meisjes Taverne in de De Meij van Streefkerkstraat. We gingen de Van  Disselbrug over, de Cronesteinkade op. Het was pakweg half zes; stipt om zes uur aten we thuis altijd. Bij de Roodenburgerstraat gekomen, die we doorwilden, zagen we allemaal agenten. De straat was afgezet, het weeshuis helemaal omsingeld. We bleven even staan kijken; een N.S.B.-agent (ik kende de meeste agenten persoonlijk) snauwde dat we moesten doorlopen. Er stond een Duitse wagen voor het weeshuis en er liep ook Grüne Polizei  rond. Thuisgekomen, was m’n vader hoogst verbaasd dat we langs het weeshuis waren gegaan.’

De aanwezigheid van Duitsers in Leiden op die avond wordt bevestigd door het dag- en nachtrapport van de Leidse politie van 17 maart 1943 – dat overigens, in tegenstelling tot anderhalve week tevoren, in alle talen zwijgt over het gebeurde: ‘Te 22,15 uur Verzoekt mevr Eldersheim van uit den Haag telefonisch ter kennis van den heer Fischer van de Sicherheitspolizei te brengen dat voor hem een auto onderweg is.’ Mevrouw Edersheim (de naam is als zovele namen in de rapporten verkeerd gespeld) was de vrouw van het hoofd van de Haagse afdeling van de Joodse Raad. Haar echtgenoot stond bekend om zijn verregaande collaboratie met de Duitsers.  Fischer gaf leiding aan de deportaties van joden in Den Haag – en dus ook, zoals we al zagen, verantwoordelijk voor die van de Leidse joden. Hij was later één van ‘de Drie van Breda’.

Daniël de Vries en Hans Kloosterman herinneren zich dat de ‘ontruiming’ van het weeshuis ordelijk verliep; dat paste ook geheel bij het karakter van de leiding en de voorwetenschap dat het zou gebeuren. Ze weten ook zeker dat er geen Duitsers aanwezig waren. De politie trof in het weeshuis 60 van de 74 mensen aan die ze blijkens een hoogstwaarschijnlijk half februari 1943 opgestelde lijst verwachtten: 51 kinderen en negen personeelsleden. Een aantal bewoners, twee personeelsleden en negen kinderen, waren tijdig ondergedoken (al die kinderen zijn desondanks gedeporteerd en vermoord); van drie bewoners had de politie kunnen weten dat ze ‘legaal’ verhuisd waren.

Over het vervoer van de kinderen naar het station is weinig zekerheid. Wel staat vast dat een deel van de kinderen – de ouderen – te voet gegaan zijn, onder politiebewaking, en dat de jongsten (waarschijnlijk vanwege de Duitse angst dat zij de Leidse politie hierin niet voldoende kon vertrouwen) met een Eltax-bus of zelfs in een overvalwagen zijn weggevoerd. Hans Kloosterman herinnert zich twee autobussen; buurman Hijme Stoffels, bijna dertig jaar eerder, ‘ontkende in eerste instantie stellig’ dat daar gebruik van was gemaakt.

Hans Kloosterman: ‘Op het station aangekomen werden we na een hele lange tijd in erg oude treinen gestopt. Voor de deur van elke wagon stonden politieagenten om ons te bewaken. Pas na enkele uren kwam er een stokoude stoomlocomotief met een kolenwagen, die werd gekoppeld aan de wagons waarin wij al die tijd hadden gewacht. We vernamen dat we niet de enige joden waren in de trein; zowat de hele joodse gemeenschap van Leiden was opgepakt om naar Westerbork te worden getransporteerd.’

In de trein omhelsde Daniël zijn vriendin Fanny Günsberg; ze had niet met hem willen onderduiken in de kelders van het weeshuis, die Daniël op zijn duimpje kende. Hans kroop bij Mieke Dagloonder, zijn jeugdvriendinnetje; ze hadden hun hele jeugd samen in het weeshuis doorgebracht.

De volgende dag vond of kreeg Jopie Vos, de beste vriendin van Lotte Adler uit de tijd dat ze nog samen op de Haanstra-kweekschool zaten, een kaartje van Lotte. Lotte had haar geschreven: ‘We houden ons flink. Ik zing, terwijl het binnenin me huilt.’ Ze zong – voor de kleuters, aan wie ze haar leven had willen wijden.

Ook Etty Heerma van Voss, een elfjarig meisje uit het weeshuis, schreef een kaartje – naar haar ouders, die het adres er al op hadden gezet. ‘We zijn weg. we zijn woensdag avond om 9 uur weg gehaald. Nu zit ik in de trijn. Wij zijn bijna bij Westenborg. Dag allemaal een benden kusjes van je Etty’. Het meisje was als Etty Noach

in 1931 geboren en in 1932 geadopteerd door het niet-joodse echtpaar Heerma van Voss in Haarlem. Onder dreiging van de oorlog hadden haar ouders haar naam in maart 1938 officieel laten veranderen. Op 28 augustus 1942, na het begin  van de deportaties, brachten ze haar naar het joodse weeshuis in Leiden. Haar zus schreef in 2002: ‘Mama probeerde een onderduikadres te vinden, wat niet lukte. Zeker niet voor kinderen, werd er gezegd. De raad die ze kreeg, was je te brengen naar het Joodse Weeeshuis in Leiden; daar zou je veilig zijn.’

Etty ging met de andere vijftig kinderen van het weeshuis in de nacht van 17 op 18 maart 1943 naar kamp Westerbork. Die nacht gooide ze haar kaartje waarschijnlijk uit de trein.

 

Op de avond van de 17de maart 1943 werden ook vrijwel alle andere Leidse joden die nog niet ondergedoken waren, opgepakt – door de Leidse politie. In een paginagroot artikel over deze dag in het Leidsch Dagblad van 1 mei 1989,”’Ik zing, terwijl het binnen in me huilt”‘, vertelde een anoniem gebleven oud-politieman die op de

avond dat het weeshuis werd ontruimd elders in de stad joden ophaalde: ‘Al het personeel werd opgeroepen op een bepaalde tijd op het bureau te komen. Waarvoor, wisten we niet. Nee, dat we werden opgeroepen was op zich niet vreemd, dat gebeurde vaker en voor heel veel dingen. In de grote wacht kwamen we bij elkaar en hoorden wat

er zou gebeuren: de agenten moesten twee aan twee naar een adres om joden op te halen.’ In een gesprek met hem, in juli 2001, vertelde hij wat hij zich van die avond herinnerde. ‘Het hele korps was  op het politiebureau ontboden, waar commissaris Hoffmann vertelde dat alle joden afgevoerd zouden worden, en wanneer dat zou gebeuren. Ikzelf werd naar een zijstraat van de Rijnsburgerweg gestuurd. Daar deed een vrouw alleen open; ze was ziekelijk. Ze zei: ‘Schiet me alsjeblieft hier dood; ik overleef het toch niet.’ Ik ben teruggegaan naar het bureau en heb gevraagd hoe ze me nu naar die vrouw hadden kunnen toesturen. Ze is daarna door een ander opgehaald.’

De agenten van het Leidse politiekorps gingen die avond twee aan twee naar ‘joodse adressen’. Om hoeveel adressen ging het?

In het archief van de Leidse politie wordt een zeven pagina’s lange lijst, zonder opschrift, bewaard, met 198 namen van Leidse joden, hun geboortedatum en -plaats, en hun adres. De lijst begint met 74 weeshuisbewoners, dan volgen 124 joden die elders in de stad woonden, van wie bij 51 een kruisje gezet is, dat verklaard wordt met het woord ‘ondergedoken’. Tien namen zijn doorgehaald: ‘vertrokken naar Barneveld’. Te oordelen aan de personen die erop voorkomen, moeten de namen op de lijst rond midden februari 1943 zijn vastgesteld, en de lijst in deze volgorde, met alle ondergedoken joden achteraan, kort na de razzia van 17 maart opgesteld.

Onder de 63 joden van elders uit de stad die niet ondergedoken waren (en niet al in Barneveld zaten), bevinden zich 22 van het ’25-tal’ dat reeds 5 maart opgepakt was (het drie leden tellende gezin van Martijn de Marcas was, zoals we zagen, vrijgekomen en snel daarop ondergedoken, zodat ze op de lijst als zodanig staan aangegeven). De politie haalde dus op de avond van de 17de, naast de 60 bewoners van het weeshuis, ‘slechts’ ongeveer 41 joden op. Han de Wilde, in een dagboekaantekening van 21 maart 1943, meende dat het om ruim 260 joden ging (dit was echter het aantal joden dat in 1942 lid van de joodse gemeente was). Maar dat de agenten die avond ook aan de adressen van de blijkens deze lijst ondergedoken joden zijn geweest, staat vast: het was slechts aan enkelen van hen, die in het verzet zaten, bekend dat alle joden in de stad, zonder uitzondering, op 15 en 16 maart door het verzet voor de komende razzia waren gewaarschuwd. Op enkele van de persoonskaarten van buitenlandse joden in het archief van de vreemdelingenpolitie komen die data van onderduik voor; ook van anderen is het bekend. De Leidse politie verwachtte dus bij deze razzia ongeveer 41 (niet ondergedoken) plus 51 (wel ondergedoken) joden te zullen arresteren. Deze ruim 90 mensen woonden op ongeveer 40 adressen. Hieruit is af te leiden, hoeveel agenten voor deze razzia zullen zijn ingezet. Men had op die avond ongeveer 145 man beschikbaar voor alle politietaken; daaronder negen man vrijwillige hulppolitie, die half februari 1943 van buiten de stad waren aangetrokken – ongetwijfeld om ingezet te worden bij de komende razzia’s – en in juni weer vertrokken.Volgens de getuigenis van de aangehaalde oud-politieman, dat ze die avond twee aan twee de joodse adressen in de stad afgingen, zou dus ruim de helft daarvan voor de razzia kunnen zijn ingezet – dat wil zeggen voor het ophalen van de joden thuis. Op dit grote aantal (75 à 80 man) komen we echter alleen uit als we aannemen dat per adres twee agenten zijn ingezet, anders gezegd dat er geen tweetallen waren die op meerdere adressen joden moesten ophalen. De bewakingstaken op het station zullen naar alle waarschijnlijkheid – in elk geval deels – door de Grüne Polizei verricht zijn; het ligt ook voor de hand te veronderstellen dat voor dit uit Duits opzicht zeer belangrijke onderdeel de ‘betrouwbare’ vrijwillige hulppolitie is ingezet.

Dat het ook gewone agenten van het korps zijn geweest, die het weeshuis – onder leiding van de Duitsers – hebben leeggehaald, blijkt onder meer uit de herinnering van een Leidse. ‘Op een avond stond een bevriende politieagent voor de deur. We lieten hem binnen; hij brak in tranen uit en stortte zijn hart bij ons uit: hij had meegedaan aan de ontruiming van het weeshuis.’ Agent Rozemeijer, die ingedeeld was bij deze groep, weigerde dienst. Twee politieagenten die in het verzet zaten, hadden – aldus een collega-verzetsman – het geluk dat ze er niet bij ingedeeld waren. En Cees van Holland weet zeker die middag bij de politieagenten in de Roodenburgerstraat geen armbanden gezien te hebben van de vrijwillige hulppolitie. Hij zag alleen leden van het Leidse politiekorps – en Grünen.

Over haar medewerking aan deze door de bezetter verordineerde ‘ontruiming’ van het joodse weeshuis en  de razzia in de stad zette de politie – in tegenstelling tot over de eerdere razzia van 5 maart 1943 – geen letter in de dag- en nachtrapporten. Het hoefde ook niet: het hele korps was immers op de hoogte en velen namen deel. Er resten ons slechts lijsten, lijsten, lijsten.

Zoals deze, van 20 maart 1943: ‘Afdeeling G. BEKENDMAKINGEN. De Commissaris van Politie te LEIDEN, verzoekt de opsporing, aanhouding en voorgeleiding […] van de navolgende personen van joodschen bloede’; aan het eind van de lijst met dezelfde 51 namen van ondergedoken joden: ‘Bovenstaande joden zijn voortvluchtig.’

Helaas blijkt het Leidse politiekorps, wat zijn medewerking aan de anti-joodse politiek van de bezetter betreft, zich niet wezenlijk anders te hebben opgesteld dan de korpsen van Amsterdam en Den Haag.

 

 

  1. Westerbork

 

Vrijwel alle niet ondergedoken joden die niet gemengd gehuwd waren (d.w.z. met een niet-joodse partner getrouwd) – maar ook een aantal gemengd-gehuwden – kwamen terecht in kamp Westerbork: velen voor zeer korte tijd, anderen voor dagen of weken, weinigen voor maanden of zelfs jaren. Het kamp was vanaf oktober 1939 – op kosten van de joodse gemeenschap! – gebouwd als Centraal Vluchtelingenkamp. Het doel: alle Duitse vluchtelingen, die verspreid over Nederland in kampen zaten, behalve de kinderen tot 13 jaar, hierin op te sluiten. De kinderen bleven voorlopig waar ze zaten, verspreid over tal van instellingen in den lande. Aanvankelijk viel het  vluchtelingenkamp onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van Binnenlandse zaken (dat gezwicht was voor de druk van koningin Wilhelmina, om het kamp niet op een zeer veel gunstiger gelegen plek op de Veluwe te bouwen), in de oorlog onder het departement van Justitie, maar op 1 juli 1942 – twee weken voor de deportaties begonnen – namen de Duitsers het over: het kamp kwam direct onder politiechef Rauter te staan.

Vanaf augustus 1942 tot aan de bevrijding in 1945 hebben er Leidse joden in Westerbork gezeten. Eén van de eersten die er kwam, was Max de Vries, van de Haarlemmerstraat. Hij trouwde er, voor de kamprabbijn, met Johanna Velleman. Twee dagen later werd het echtpaar naar Auschwitz gedeporteerd.

Tot half februari 1943 zijn er ongeveer 30 joden uit Leiden via Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd. Vanaf dinsdag 2 maart was de bestemming van de transporten Sobibor. De eerste twee transporten gingen in personentreinen; vanaf 17 maart reden er goederentreinen naar het dodenkamp in Polen, zeventien maal. Na vijf weken onderbreking vertrok op 24 augustus 1943 het wekelijkse transport weer naar Auschwitz. De negentien treinen naar Sobibor brachten daar meer dan 34.000 joden, die op 19 na allen om het leven zijn gebracht. De reden van de gewijzigde bestemming van de transporten in de maanden maart tot en met juli 1943 was gelegen in de

deportatie van de grote joodse gemeenschap van de Griekse stad Salonica naar Auschwitz. Die vond plaats van 15 maart tot 7 augustus 1943. Daardoor werden bijna 44.000 van de 55.000 joden uit de stad vermoord. In Auschwitz breidde men in die tijd het aantal gaskamers uit van drie tot zeven. Omdat de transporten uit Nederland zo ‘voortreffelijk’ verliepen, besloten Himmler en Eichmann die niet tijdelijk te stoppen, zoals in Frankrijk, maar om te leiden naar Sobibor.

Op 6 maart 1943 kwam de groep van ruim 20 joden uit Leiden, die in Den Haag in de trein hadden moeten stappen, in Westerbork aan. Elf van hen werden reeds met het volgende transport, op 10 maart, naar Sobibor op transport gesteld – in personenwagens. Onder hen de familie Bloemkoper en het echtpaar Blitz; de 86-jarige moeder van mevrouw Blitz volgde een week later – in een goederentrein. Toevalligerwijs zijn twee van de zes bewaard gebleven kaartjes uit Sobibor (de Joodse Raad ontving er in totaal 89 uit dit kamp) van Victor Bloemkoper. Hij schreef ze op 18 maart – een dag na de grote razzia in Leiden – aan zijn ouders en schoonouders, en aan de Joodsche Raad van Den Haag. Het eerste luidde: ‘Lager Wlodawa [de naam Sobibor werd door de Duitsers geheim gehouden] 18.3.43 – Meine Lieben – Seit mehrere tage arbeite ich hier im Lager. Den ganzen Tag draussen; ich esse aber genügend und bin Gott sei Dank gesund, und das ist doch ja die Hauptsache. Meine lieben, schreiben Sie mir bitte bald! Viele herz. Grüsse von ihrem Sohn und Schwiegersohn. Victor Bloemkoper.’ Over zijn vrouw en vier kinderen rept hij met geen woord; hij wist niet dat ze onmiddellijk na aankomst, op 13 maart, in de gaskamers om het leven waren gebracht. Zelf werd hij, volgens het getuigenis van een overlevende in 1965, omstreeks eind april 1943 samen met 69 andere Nederlanders doodgeschoten.

Op de dag dat Victor Bloemkoper zijn kaartje schreef, kwam een zeer grote groep joden uit Leiden kamp Westerbork binnen: ongeveer honderd personen, onder wie de zestig weeshuisbewoners. Hans Kloosterman herinnert zich die eerste dag in Westerbork nog zeer goed. ‘Toen we opstonden, was het erg vreemd dat er geen ontbijt was. Gelukkig hadden we allemaal een noodrantsoen in onze rugzak; daar had het personeel van het weeshuis voor gezorgd. Meneer Italie probeerde het nog zo gezellig mogelijk te maken. Tafels werden zo goed als het kon gedekt. We hadden allemaal onze eigen vork, mes en lepel, een bord en een beker in onze rugzak.

Voordat we gingen ontbijten, moest er gebeden worden door de jongens. Meneer Italie vroeg of we onze gebedssjaal, gebedsriemen en gebedenboek bij ons hadden. Tot zijn grote verbazing was ik de enige jongen die ze had meegenomen. Wel hadden we allemaal een keppeltje bij ons, zodat we toch ons ochtendgebed konden zeggen.’

Het weeshuis was ondergebracht in barak 66, helemaal achter in de hoek van het kamp: één van de twee latere strafbarakken. Drie dagen na aankomst van de Leidenaren, zondag 21 maart, was het Poerim – het over het algemeen zo vrolijk gevierde feest van de overwinning van koningin Esther op Haman, de machthebber die in het Perzische Rijk alle joden wilde vermoorden: ‘dat men zou verdelgen, doden en uitroeien alle Joden, van knaap tot grijsaard, zelfs kinderen en vrouwen, op één dag, […] en dat men hun bezittingen zou buitmaken.’ (Esther 3: 13)

Weer twee dagen later, op dinsdag 23 maart 1943, stond de trein – opnieuw een goederentrein – klaar om 1250 joden, onder wie 35 van de weeshuisbewoners en 27 andere Leidenaren, naar Sobibor te deporteren. Met de trein vertrokken Daniëls vriendin Fanny, haar broer Lothar, Hans’ jeugdvriendinnetje Mieke, Lotte Adler en haar zusje Henny, meneer en mevrouw Italie met hun twee kleine kinderen, alle andere personeelsleden, onder wie ook Alice Blitz, en nog 21 andere kinderen uit het weeshuis. Er bleven 25 – vcorlopig – achter.

Daniël en Hans maakten zich zorgen over hun G-1-verklaring, waar buurman Hijme Stoffels zich zo voor ingespannen had: de verklaring van ‘half-jood-zijn’, waarmee ze van deportatie gevrijwaard zouden zijn. Op de dag van hun aankomst in Westerbork, 18 maart 1943, had het hoofd van de Rijksinspectie van de bevolkingsregisters, Lentz, één van de meest loyale medewerkers van de bezetter, die verklaring uiteindelijk getekend en op 22 maart aangetekend naar Leiden verstuurd. ‘Ik merk hierbij op, dat als voorwaarde gesteld is, dat bovengenoemde zoo spoedig mogelijk uit het joodsche milieu verwijderd wordt’, was Lentz’ laatste zin. Het zou nog tien volle weken duren, voordat Hijme Stoffels er uiteindelijk in slaagde zijn vroegere buurjongens uit Westerbork vrij te krijgen.

De weeshuiskinderen, achtergebleven zonder hun vertrouwde leiding, probeerden er het beste van te maken. Op de dag van het eerste transport, 23 maart, schreef de oudste jongen, Sally Montezinos, aan het echtpaar Stoffels: ‘We zijn velen verloren […] U begrijpt hoe erg het voor ons allen is ze allen te moeten missen.’ Harry Spier had z’n gewone optimisme weten te behouden: ‘Het is hier reuze gezellig en het eten is er best. […] We zijn nog met 25 kinderen uit ons huis, zonder directie en personeel. […] Daniël rijdt zand naar de hei.[….] Het gaat al best.’ Rond 6 april noemde Daniël in een brief de namen van de 25 resterende kinderen. Twee kleintjes zijn naar de weeshuisbarak. ‘E. Heerma’ was er nog.

Op 15 april kwam er een kaartje voor Etty Heerma van Voss. Haar moeder had het geschreven: ‘Mijn lieve, lieve schat! Je 2 briefjes heb ik nu alle beide ontvangen, wat naar, dat je zoo ziek was, kleyn ding: Hoe lang was je wel ziek? je denkt er wel om, dat je heusch niet aan dat water komt, hè? want als dat niet goed is, kun je vreeslijk ziek worden, hoor. ik heb nu weer 2 pakjes gestuurd. Deze week gaat nog een weg met tomatensoep, en postpapier, en ook een stukje zeep, daar moet je natuurlijk heel zuinig mee zijn, niet op drukken, anders is ze zoo op! Etteke, schrijf eens alles op, wat je aan kleeren hebt, hemden, kousen, jurken, en al, en stuur mij die lijst dan. En houd voor jezelf ook een, dan kun je geregeld zien, of je ook (ook) nog alles hebt. Jammer dat ik je puntenkaart niet had, je zult vast wat ondergoed noodig hebben. En dan Etteke, houd je goed schoon, heb je geen zeep, dan boen je zelf elken dag flink met schoon water af. heb je den stofkam dan vlink je hoofd schoonhouden. Dag, kleine flinke meid  Bende kusjes van Mama, P. en I. [haar zusje Inge]’. Moeder Heerma van Voss postte het kaartje aan haar dochter in haar woonplaats Haarlem op 12 april 1943. Pas drie dagen later werd het in Assen afgestempeld: op 15 april. In de tijd dat het kaartje, vol moederliefde en moederlijke zorgen, onderweg was naar het Judendurchgangslager Westerbork, werd Etty Heerma van Voss, 11 jaar oud, naar Sobibor gedeporteerd – alleen, zonder één ander kind uit het weeshuis. Het was dinsdag 13 april 1943. Weer drie dagen later stierf Etty in de gaskamers van Sobibor.

 

‘Nooit zul jij vergeten worden’, schreef haar zusje Inge, die de kaartjes van en aan Etty 60 jaar lang bewaard had en ze toen, met een prachtig portret van het meisje, schonk aan het Herinneringscentrum Kamp Westerbork.

Nooit zal zij, nooit zullen zij vergeten worden. Niemand van hen.

 

 

  1. De kampen

 

Eén naam van een Duits concentratiekamp was al in 1941 algemeen bekend bij de Nederlandse joden: Mauthausen. Daarheen immers waren de honderden jongemannen gestuurd, die bij de razzia’s van 22 en 23 februari en 11 juni 1941 in Amsterdam en van 13 op 14 september 1941 in Twente en Gelderland waren opgepakt. Tot juli 1941 verschenen doodsberichten van deze jongens doorlopend in de kranten, totdat de Joodsche Raad het bevel van de Duitsers kreeg deze annonces te verbieden. Maar de angst voor dit concentratiekamp was in Nederland gezaaid. De Duitsers zouden er een jaar later gebruik van maken. Toen er na het begin van de deportaties, op 14 juli 1942, maar een fractie bleek op te komen van de mensen die opgeroepen waren voor ‘Arbeidseinsatz’, kwam er op 7 augustus een extra editie van Het Joodsche Weekblad uit, waarin ‘de Duitsche autoriteiten’ driemaal met overbrenging naar dit kamp dreigen. Die straf zou alle joden gelden ‘die niet onverwijld gevolg geven aan een tot hen gerichten oproep voor de arbeidsverruiming in Duitschland’, ‘die geen jodenster dragen’ en ‘die zonder toestemming der autoriteiten van woonplaats of woning veranderen’. Het was natuurlijk onzin: alle joden gingen in die tijd toch al naar een concentratiekamp. Dat was alleen niet Mauthausen, maar Auschwitz.

De enige van de in 1942 in Leiden woonachtige joden die in Mauthausen om het leven gebracht werd, was de 41-jarige Jozua Klein uit de Mariënpoelstraat 15, vader van drie kleine kinderen. Op 6 juli 1942 stierf hij, als eerste van de 270 vermoorde Leidse joden.

 

Auschwitz is na de Tweede Wereldoorlog hét symbool geworden van de Holocaust, de jodenvervolging in Europa – met een Hebreeuws woord thans vaak Sjoa genoemd. In de eerste plaats omdat in geen enkel ander kamp van de nazi’s meer joden vermoord zijn dan hier: volgens de laatste schattingen circa 1,1 miljoen – veertien maal de totale bevolking van de gemeente Leiden in 1940. In de tweede plaats door het aanzienlijke aantal overlevenden, ongeveer 200.000, wier verhalen in het collectieve geheugen van de wereld geprent zijn.

In de periode 15 juli 1942 tot en met 23 februari 1943 verlieten in totaal 51 transporten kamp Westerbork met bestemming Auschwitz. In de maanden maart, april, mei, juni en juli reden de treinen naar Sobibor; daarna weer naar Auschwitz, van 24 augustus 1943 tot en met 3 september 1944. Veertien transporten vertrokken er in die laatste periode uit Westerbork, twee uit Vught. Uit Westerbork reed dus 65 maal een trein naar Auschwitz – met per keer 465 tot 2012 joden. Het kwam slechts vijf maal voor dat een trein meer dan 1200 mensen vervoerde; dat was in oktober 1942, na het leeghalen van de werkkampen. In totaal werden vanuit Nederland bijna 60.000 joden naar Auschwitz gedeporteerd. Van de eerste groep van 51 transporten overleefden slechts 85 mensen, van de tweede groep van 14 transporten 588.

In totaal werden ongeveer 102.000 Nederlandse joden in Duitse kampen om het leven gebracht. Het aandeel van Auschwitz daarin is dus ongeveer 58 %. Bij de 271 vermoorde joden uit Leiden en omgeving daarentegen ligt dat aandeel verhoudingsgewijs tweemaal zo laag: 79 van hen kwamen om in Auschwitz, ofwel ruim 29%. We zullen dat verschil hieronder proberen te verklaren.

 

Auschwitz was in 1940 opgezet als concentratiekamp voor politieke gevangenen; pas in de loop van 1942 kreeg het zijn tweede functie als dodenkamp. Toen werden twee kleine boerenhoeven verbouwd tot primitieve gaskamers in een enorme uitbreiding van Auschwitz: het kamp Birkenau, aangelegd op de plaats van een klein Pools dorpje, dat ervoor had moeten wijken.

 

Sobibor was, in tegenstelling tot Auschwitz, vanaf het begin een dodenkamp. Het viel met twee andere uitsluitend als dodenkamp ontworpen en gebouwde kampen, Belzec en Treblinka, onder de Aktion Reinhard. Alledrie de kampen lagen in het Generalgouvernement, het niet bij het Duitse rijk ingelijfde, overgebleven deel van Polen. De ‘Operatie Reinhard’ stelde zich ten doel de massamoord op de Poolse joden, die met executies op gigantische schaal al vele maanden aan de gang was, in zo kort mogelijke tijd te voltooien, door de bouw van deze drie kampen met een groot aantal gaskamers. Dat aantal nam tussen juli en oktober 1942 toe van het oorspronkelijke aantal van negen tot 25, terwijl Auschwitz tot maart 1943 over drie gaskamers beschikte. De bouw van Sobibor, het tweede van de kampen, begon in maart 1942; vanaf begin mei van dat jaar vonden er vergassingen plaats. Er was, anders dan in Auschwitz, vrijwel geen kans om te overleven. Selecties op grote schaal, zoals daar plaatsvonden, kende Sobibor niet; er werden slechts af en toe kleine groepjes mannen en vrouwen uit de aankomende transporten gehaald om het kamp te laten functioneren of om elders tewerk te stellen.

De zes gaskamers van Sobibor konden tegelijkertijd 1200 tot 1300 mensen doden. Maar van een misdaad van een dergelijke omvang kon men zich in Nederland tijdens de oorlog natuurlijk geen enkele voorstelling maken.

Niemand van de gedeporteerden zal bevroed hebben dat binnen enkele uren iedereen vermoord zou zijn.

Negentien treinen reden vanuit kamp Westerbork naar Sobibor, een reis van ongeveer drie dagen. Het kamp lag aan de rivier de Boeg, vlakbij het huidige drielandenpunt Polen – Oekraïne – Wit-Rusland. Het was een dag verder reizen dan naar Auschwitz. Onder de meer dan 34.000 Nederlanders die hiernaartoe gedeporteerd werden, bevonden zich 177 joden uit Leiden en omgeving. Het transport met het grootste aantal van hen was dat van dinsdag 23 maart 1943, nog geen week na de grote razzia in de stad, waarbij ongeveer 100 mensen opgepakt waren. Toen gingen 62 van die 177.

Met alle overige transporten gingen ook joden uit Leiden en omgeving mee, zij het dat met het eerste alleen een zevenjarig meisje, Gretha Goldenberg, vertrok, dat tot maart 1942 in het weeshuis had gewoond, en met dat van 1 juni 1943 enkel Benno Redisch, een vierjarige die tot 13 juli 1942 in het weeshuis opgenomen was geweest. Gretha zonder familie, Benno met zijn Poolse moeder en twee zusjes. Na het transport van 23 maart vertrok op 18 mei 1943 het grootste aantal uit de stad en omliggende gemeenten: 21. In de andere treinen zaten tussen de twee en twaalf joden van hier.

De 177 in Sobibor vermoorde joden uit Leiden en omgeving vormen ruim 65% van het totaal aantal joden uit de Joodse Gemeente Leiden dat slachtoffer is geworden van de nazi-terreur. Van alle Nederlandse joden kwam bijna 34% in Sobibor om. Dit opvallende verschil is waarschijnlijk grotendeels te verklaren uit het feit dat tot maart 1943 nog een niet onaanzienlijk deel van de joodse bevolking van Leiden in de stad woonde. De politie pakte op 5 en op 17 maart 1943 volgens hun eigen lijsten in totaal ongeveer 125 mensen op. Toen dezen kort daarop gedeporteerd werden, reden de treinen uit Westerbork niet langer naar Auschwitz, maar naar Sobibor.

 

Vanaf 24 augustus 1943 was de bestemming weer Auschwitz – ruim een jaar lang. Maar er was inmiddels een ander einddoel van de deportatietreinen bijgekomen: het zogenaamde Altersghetto Theresienstadt – bedoeld voor bejaarde Duitse joden en joden die in de Eerste Wereldoorlog een militaire onderscheiding hadden gekregen, met hun familie. Op 27 april 1943 was er een kleine groep Nederlandse joden heen gezonden, op 14 september nog een; maar pas vanaf januari 1944 gingen er afzonderlijke transporten naartoe, in totaal vijf keer. Bijna 5.000 Nederlanders kwamen in dit ‘propagandakamp’ (waar de Duitsers een bedrieglijke film van lieten maken) terecht; meer dan 2.000 van hen met het één-na-laatste transport uit Westerbork, op 4 september 1944. Ruim 3.000 werden toch nog doorgestuurd naar Auschwitz. Van de veertien joodse Leidenaars die niet in Auschwitz of Sobibor om het leven gebracht werden, stierven er twee  in Theresienstadt: de 77-jarige weduwe Belinfante-Belinfante en de 66-jarige Jenny Loeb-Rose.

Een vierde en laatste kamp waarheen Nederlandse joden vanuit Westerbork gedeporteerd werden, was Bergen-Belsen. Een deel van het krijgsgevangenkamp dat hier al sinds 1940 was, werd eind april 1943 afgescheiden als zogenaamd Austauchlager, uitwisselingskamp, waar de Duitsers joden wilden laten ‘verblijven’ die men zou kunnen uitwisselen tegen Duitsers in het buitenland, of die relaties in neutrale of geallieerde staten hadden, waarvan men zou kunnen profiteren. Op 11 januari 1944 vertrok het eerste transport uit Westerbork naar dit kamp. Zeven treinen zouden er volgen; de laatste, op 13 september 1944, was tevens de allerlaatste trein die Durchgangslager Westerbork verliet.

Voorzover bekend de enige van de joodse bevolking van Leiden in 1942 die in dit kamp terecht kwam, was de vierjarige Mindele Färber uit het joodse weeshuis. Zij was in januari 1941, nog geen twee jaar oud, in het weeshuis opgenomen; op 17 maart 1943 woonde zij er nog, toen het huis in opdracht van de bezetter werd ‘leeggehaald’. In Westerbork werd ze, met één ander meisje (de tweejarige Regine Klausner) naar de wezenbarak overgebracht. Daar ontfermde schrijfster Clara Asscher-Pinkhof zich over haar. Het gerucht ging dat Mindeles ouders in Palestina waren (daar waren ze inderdaad in de zomer van 1939 aangekomen); mevrouw Asscher-Pinkhof deed alle moeite het meisje bij te laten schrijven op haar ‘Palestina-certificaat’, waarmee ze naar het beloofde land hoopte te ontkomen. Als door een wonder worden haar beide wensen vervuld. ‘Mindeltje’, zo prachtig beschreven in haar autobiografie Danseres zonder benen, komt inderdaad op haar certificaat te staan. Samen gaan ze naar Bergen-Belsen. Vandaaruit bereiken ze in juni 1944 Palestina, waar mevrouw Asscher-Pinkhof het meisje kan teruggeven aan haar ouders.

Eind november 1943 kreeg ook Fritz Pollack, 21 jaar inmiddels, bericht dat hij met zijn ouders ‘fuer den Pal. Austausch’ naar een ander kamp overgebracht zou worden. Ze hadden, met Fritz’ oudste broer Franz, van juli 1938 tot september 1940 als Duitse vluchtelingen in Leiden gewoond. Franz was opgepakt bij de razzia in Hengelo van september 1941. Hij was naar Mauthausen gestuurd, waar hij nog diezelfde maand om het leven gebracht werd. Fritz en zijn ouders gingen inderdaad met het eerste transport naar Bergen-Belsen. ‘Uitgewisseld’ naar Palestina werden ze echter niet. Vader Pollack stierf in januari 1945 door uitputting in het kamp. Toen de geallieerden begin april 1945 Bergen-Belsen naderden, besloten de Duitsers dat enige duizenden kampbewoners naar Theresienstadt moesten. Op 10 april vertrok een trein met 2500 mensen; onder hen Fritz en zijn moeder. Het overgrote deel van de mensen in de trein was doodziek; er heerste vlektyphus. Twee weken lang reed de trein rond door Duitsland. Op 23 april 1945 kwam hij tot staan bij het dorpje Tröbitz – ingeklemd tussen het oprukkende Russische leger en een opgeblazen brug. De Russen bevrijdden de uitgeputte gevangenen. Fritz’ moeder stierf twee dagen later in Tröbitz. Fritz zelf beleefde het einde van het Derde Rijk in een ziekenhuis in Leipzig.

 

Tenslotte kwamen nog tien joden uit Leiden en omgeving op andere plaatsen om het leven: één in het enige officiële concentratiekamp in Nederland, Konzentrationslager Herzogenbusch, beter bekend onder de naam Vught, één in het strafkamp Amersfoort, de overigen op onbekende plaatsen in ‘Midden-Europa’.

 

 

  1. Gemengd gehuwden

 

Presser noemt in Ondergang de joden, die met een niet-joodse partner getrouwd waren, de zogenaamde gemengd gehuwden, ‘een groep Joden, die meer dan welke andere in de ogen der rasfanatici schuldig moesten staan’. Immers, volgens de verdedigers van het ‘zuivere Arische bloed’ had iedere gemengd gehuwde jood willens en wetens rassenschende gepleegd, ‘een misdaad, waarop straf stond stond. […] Ten aanzien van geen enkele groep echter hebben de Duitsers hier zo gehaspeld’. De nazi’s kwamen er niet uit, in Duitsland noch in Nederland: vanzelfsprekend omdat er niet-joden in het geding waren. Het enige waar men het over eens kon worden, was dat deze groep niet gedeporteerd zou worden, behoudens strafgevallen. Gustaaf Barnstijn, de eerste gemengd gehuwde Leidse jood die in Auschwitz vermoord werd, moet zo’n strafgeval geweest zijn.

Alle mogelijke opties werden door de Duitsers bedacht, besproken, soms ingevoerd en soms verworpen – tot en met het afschuwelijke middel van de sterilisatie van vruchtbare mannen en vrouwen. Nog eens protesteerden de kerken, ditmaal uitermate scherp, op 19 mei 1943 tegen dit voornemen, dat deels tot uitvoering is gekomen: ‘De sterilisatie betekent een schennis zowel van goddelijke geboden als ook van menselijk recht. Zij is de uiterste consequentie van een anti-christelijke en volksvernietigende rassenleer, van een mateloze zelfverheffing, van een wereld- en levensbeschouwing, die een waarlijk christelijk en menselijk leven onmogelijk maakt.’ Deze edele woorden, een ondubbelzinnige veroordeling van de nationaal-socialistische leer (en praktijk), waren gericht aan Reichskommissar Seyss-Inquart.

Het gemengd huwen was in de eerste decennia van de twintigste eeuw sterk toegenomen; in Amsterdam van 6% van het totaal aantal huwelijken in de jaren 1901-1905 tot bijna 17% in de jaren 1931-1934. Volgens de statistiek die de Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters in 1942 had opgesteld aan de hand van de verplichte opgave door alle joden in Nederland, het jaar ervoor, waren onder de ruim 140.000 ‘voljoden’ bijna 20.000 gemengd gehuwden, wat gelijkstond aan 27,5% van alle gehuwde joden in het land. Leiden telde volgens de opgave van het gemeentebestuur aan de Zentralstelle für jüdische Auswanderung van eind april 1942 onder de 357  joden 31 gemengd gehuwden (van wie enkelen in die lijst niet als zodanig waren aangemerkt); in de tot de Joodse Gemeente Leiden behorende omliggende gemeenten waren van de 102 er tien gemengd gehuwd. De enige in Valkenburg wonende jood, Jaap van Gelderen, uit een van de oudste joodse families in Leiden (hij was  kort na zijn huwelijk daarheen verhuisd), behoorde tot dat tiental. Zijn Valkenburgse vrouw was gereformeerd, net als hijzelf trouwens; hij was in 1932 tot die kerk toegetreden. Onder de gemengd gehuwden in Nederland bevonden zich nogal wat christelijke joden; blijkens een Duits stuk van 20 maart 1943 ruim 15 procent.

‘Buitengewoon ingewikkeld en gevaarlijk’, zegt Presser, ‘was de vraag, wat gemengd-gehuwden was toegestaan; in een zeer uitvoerige circulaire van 18 maart 1943 geeft de Joodse Raad inlichtingen, met in de inleiding de niet overbodige waarschuwing, “t.a.v. deze materie met de uiterste voorzichtigheid te werk te gaan en ook de hieronder volgende richtlijnen geenszins te beschouwen als onomstotelijk vaststaande regels'”‘ Geen wonder dat een aantal van hen onderdook – hoewel dat natuurlijk ook geen absolute zekerheid kon bieden.

In zijn hoofdstuk over de werkkampen voor gemengd gehuwden verwoordt Presser de volkomen verwarring die het Duitse handelen ten aanzien van deze groep kenmerkte, en waaraan de groep zelf daardoor ook ten prooi moet zijn geweest: ‘Nu eens weer honderden Joden zus, dan weer enige tientallen zo, van elke groep splitst men weer groepjes af, men roept op en stuurt de mensen naar huis, men roept op en roept een deel wel op, een ander deel niet, men roept niet op, men pakt op en stuurt terug, of niet terug of eerst wel terug, dan weer niet of beide gelijktijdig; […]’ Een alinea lang, deze ‘vereenvoudigde weergave van een gecompliceerde werkelijkheid.’ In maart 1944 werd er een werkkamp voor gemengd gehuwden bij het vliegveld in Havelte, benoorden Meppel, geopend. Jaap van Gelderen kwam er terecht. Op zondagmorgen 19 maart schreef hij zijn vrouw en kinderen vanuit ‘Kamp C. Barak 5. kamer 5’: ‘Ik heb slecht geslapen. De wind gierde door de reten der barak, en aangezien we op stroo, op den grond liggen, krijgen we langs de grond de tocht, en aan ons hoofdeinde ook hetzelfde. We gaan gekleed naar bed, en liggen met ons hebben en houden onder eene dunne deken en probeeren onder rillen en beven de slaap te vatten. […] Bovendien moeten die op het vliegveld zijn lange en vermoeiende dagen maken. Ze moeten railzen en bielzen versjouwen, waaronder ze haast bezwijken. Je moet ze maar eens terug zien komen. Ze zijn te beroerd om [op] hun benen te staan, en vallen van vermoeidheid haast om. […] Ellendig koud en zonder eenig comfort zit ik hier met m’n dikke jas aan, bij de tafel te schrijven’. Tenslotte duikt Jaap van Gelderen onder, als hij met verlof naar huis gekomen is.

 

Henri van de Waal, assistent bij het Prentenkabinet in Leiden, getrouwd met een jonge, niet-joodse vrouw, kwam op een andere manier de oorlog door: in kamp Barneveld en kamp Westerbork. Om aan alle kwellende onzekerheid een einde te maken en zich nog enigzins veilig te voelen, meldde hij zich zelf aan voor kamp Barneveld. Zijn niet-joodse vrouw wilde hem niet alleen laten en ging met hem mee. Dit ‘Joods Tehuis de Schaffelaar’, gevestigd in het gelijknamige kasteel, was in december 1942 gecreëerd voor een kleine en selecte groep min of meer prominente joden en hun familie. Tenslotte zaten er bijna 700 mensen. Mevrouw Van de Waal-Dufresne moest het kamp verlaten, toen daar geen ruimte meer overbleef; ze was tenslotte niet-joods.

Prominent of niet, op 29 september 1943 – de dag waarop de allerlaatste razzia in Amsterdam een eind maakte aan het ‘bovengrondse’ joodse leven in de hoofdstad – werden alle bewoners van kamp Barneveld naar Westerbork overgebracht. Daar kwamen zij, aldus dagboekschrijver Philip Mechanicus, in ‘een vuile beestenstal om van te kotsen.’ Toch bleven ze bevoorrecht: geen van de Nederlandse joden die in Barneveld hadden gezeten, is naar Auschwitz gedeporteerd.

 

 

  1. Verzet en onderduik

 

Voor joden die niet gemengd gehuwd waren noch aanspraak konden maken op een – altijd tijdelijke, ‘bis auf Weiteres’- vrijstelling van ‘Arbeitseinsatz’,  waren er slechts drie mogelijkheden om aan deportatie te ontkomen: vluchten, onderduiken en het meest verschrikkelijke: zelfmoord. Terwijl het aantal zelfmoorden onder joden vóór mei 1940 tussen de 1 en de 5 per maand schommelde, was er een ongeëvenaarde piek in die eerste oorlogsmaand (188); daarna zakte het al snel tot het vooroorlogse gemiddelde, om vanaf juli 1942, de maand waarin de deportaties begonnen, opnieuw sterk te stijgen (tot 43). Nu bleef het echter zeer hoog, gedurende een vol jaar – tot er weinig joden meer (‘legaal’) in Nederland overgebleven waren. De enige twee zelfmoorden van joden in Leiden, beide in 1941, vallen in een periode waarin het landelijk aantal zeer klein is, en gelijk aan het vooroorlogse gemiddelde.

Naar het buitenland vluchten was een andere mogelijkheid, maar een zeer riskante. De twee ons bekende pogingen van Leidse joden mislukten allebei. De 21-jarige Benny Meijer werd in Katwijk verraden bij een poging naar Engeland over te steken. Elisabeth Boasson pakten de Duitsers in augustus 1942 in Frankrijk, toen zij naar Zwitserland probeerde te vluchten. Zij werd nog diezelfde maand in Auschwitz vermoord; Benny stierf in de gaskamers van Sobibor in juni 1943.

De dertie optie was onderduiken. Niet dat deze optie minder riskant dan de vorige leek; het gevaar om verraden te worden door één kleine nalatigheid zou elke dag aanwezig zijn. Bovendien bracht men door onder te duiken anderen, de niet-joodse onderduikgevers en hun helpers uit het verzet, in zeer groot gevaar – ja, in levensgevaar. Tenslotte was er heel veel voor nodig om van deze mogelijkheid om aan deportatie te ontkomen, gebruik te kunnen maken: allereerst moed en het voorhanden zijn van een onderduikadres, dan vertrouwen in de onderduikgevers en tenslotte geld, veel geld – want het onderhouden van onderduikers was een kostbare zaak. Vaak leverde het verzet, behalve het adres, ook nog het geld en de onmisbare bonnen, stamkaart (om bonnen mee te krijgen) en het valse persoonsbewijs. De verdiensten van deze verzetsmensen zijn onbetaalbaar geweest; hun daden – vaak dagelijkse daden, met de dood voor ogen – niet hoog genoeg te prijzen. Velen hebben met hun leven moeten betalen voor hun inzet. Anderen konden na de oorlog de doorstane angsten niet verwerken of leden zelfs onder een schuldgevoel niet méér te hebben kunnen doen.

Daarnaast werd er vanzelfsprekend enorm veel gevraagd van hen die joden in huis namen: bereidheid het eigen leven in de waagschaal te stellen, de vaak niet overvloedig beschikbare ruimte te delen met vreemden of slechts vage bekenden en alle extra zorgen te dragen, alsmede een onuitputtelijk geduld en grote moed om alle angsten te doorstaan. Geen wonder dat velen die er aan begonnen het op een gegeven moment moesten opgeven. Dan spreken wij niet van onderduikgevers die uit eigen gewin onderduikers in huis namen en, als het meegebrachte geld op was, hen op straat zetten. Ons verhaal richt zich op de dappersten der dapperen in ons land, die het onmogelijke verrichtten en met elkaar zeer vele mensenlevens (wellicht 25.000!) redden – uit pure naastenliefde. Ook in Leiden en omgeving werden deze mensen gevonden.

In het overzichtswerkje Ook in Leiden… Over verzetswerk in en om de stad 1940-1945 hebben de auteurs ervoor gekozen niemand uit het verzet met naam en toenaam te noemen, omdat zij van mening waren dat de nadruk niet moest liggen op de bijdragen van enkelingen, maar op het hele raderwerk van het verzet. Wij willen hier wel enkele helpers noemen. Zij zijn een symbool voor de velen die geholpen hebben. Onze keuze is vanzelfsprekend willekeurig.

 

De eerste onderduiker in Leiden die wij thans kennen, kwam uit Den Haag. Dat is niet toevallig: naar alle waarschijnlijkheid heeft het overgrote merendeel van de Leidse joden buiten de stad, en zelfs buiten de regio, een onderduikadres gevonden of gekregen, en waren veruit de meeste joden die in Leiden en omgeving ondergedoken zaten, mensen van elders. Marius Dreese kwam op 17 juli 1942, drie dagen na het begin van de deportaties, uit Den Haag naar Leiden. Hij had hier twee ooms in de Haarlemmerstraat wonen; één van hen – Jacob van Leeuwen – dook met zijn vrouw ruim een half jaar later, op 11 februari 1943, onder op hetzelfde adres als neef Marius: Breestraat 58, een klein huis pal naast de Stadsgehoorzaal. ‘Was er een vergadering in de Gehoorzaal van de moffen of N.S.B.-ers, dan konden de onderduikers het gescheld op de joden bij ons in de tuin horen’, schreef Suze Jonk kort na de oorlog in haar herinneringen. Haar man Gerard was filiaalhouder van een leerververij. Het kinderloze echtpaar, dat al op leeftijd was, had hun bescheiden woning opengesteld voor joodse onderduikers.

Marius’ andere oom, Aron van Leeuwen, was met zijn vrouw Hendrika van Creveld met de eerste groep opgeroepen joden op 14 augustus 1942 naar Westerbork gegaan, vanwaar zij drie dagen later naar Auschwitz gedeporteerd werden. Op 13 augustus waren Jacob van Leeuwen en Rosine Schuijer naar hun onderduikadres in Zoeterwoude gegaan. Vanaf hun eerste onderduikadres gingen ze in februari 1943 naar hun tweede: Breestraat 58, dat tenslotte – in oktober van dat jaar – negen joodse onderduikers herbergde. Alle negen overleefden de oorlog, dankzij de goede zorgen van het echtpaar Jonk en hulp van het Leidse verzet.

 

Een ander kinderloos gebleven echtpaar – getrouwd op 31 juli 1942 – was eveneens vanaf het begin betrokken bij hulp aan onderduikers: Hijme Stoffels, 34 jaar, procuratiehouder bij ‘Edelachtbaar’ Sigarenfabrieken op de hoek van Zijlsingel en Oosterkerkstraat, en zijn vrouw Eem van Brussel, 23 pas. ‘Een der voornaamste aktiviteiten van Hijme en Eem was het centraal regelen van onderduikadressen’,  schreef neef Frits Stoffels in zijn onuitgegeven verhaal over het verzetswerk van zijn oom en tante, ‘Reddende mensen’. ‘In eerste aanleg werden de onder te duiken joden bij hen gehuisvest. Vandaaruit zorgden zij dan voor een adres ergens in den lande. Zo hielden  ze vaak tien onderduikers tegelijkertijd in hun huis verborgen. “Het was een komen en gaan”, vertelt Tante Eem. “En ik heb dikwijls door het hele land gezeuld met kinderen om adressen te vinden.”‘ Hun motivatie voor het verzetswerk dat ze deden was even simpel als edel. Het levensmotto van Hijme Stoffels luidde: ‘de belangrijkheid van het leven wordt bepaald door het nut dat het voor anderen heeft’. Het echtpaar heeft letterlijk kosten noch moeite gespaard om joden te helpen. Een broer van de heer Stoffels vertelt over hem in ‘Reddende mensen”: ‘”Hij papte aan met Duitsers, wist hen gunstig te stemmen met sigaren of met kaas. En zo kreeg hij allerlei dingen voor elkaar. Hij heeft nooit geweld gebruikt. Niet zozeer uit beginsel, dacht ik, maar omdat dat niet paste in zijn spelstrategie.”‘ Dat bracht hem nogal eens op het Binnenhof, waar de hoogste Duitse instanties gevestigd waren. Eenmaal reisde hij zelfs naar Westerbork om van de kommandant gedaan te krijgen dat een jongen uit Leiden vrijgelaten zou worden. De jongen was net ‘doorgestuurd’ naar Auschwitz.

Hijme Stoffels regelde ook vaak valse papieren voor onderduikers, maar maakte ook zelf persoonsbewijzen na. ‘” Hij zorgde er dan wel voor, via relaties, dat de valse papieren ook in het Bevolkingsregister werden aangetekend, zodat de zaak volkomen gedekt was’, vertelt Tante Eem, die nog aanvult dat “Hijme ook fantastisch handtekeningen kon vervalsen”‘.

Hun verzetswerk begon door de verhuizing van Hijme Stoffels, in april 1942, naar Cronesteinkade 20, waar hij de buurman werd van het joodse weeshuis. De directeur daarvan woonde één deur verder. Daardoor kwam hij in direct contact met de ellende die over de joden werd uitgestort. Het moet het echtpaar buitengewoon gefrustreerd hebben dat Nathan Italie, de directeur, niets wilde weten van onderduik. Hij voelde zich verantwoordelijk voor het lot van ‘zijn’ kinderen. Toch lukte het de heer en mevrouw Stoffels enkelen te redden: zo namen zij een week voor de ‘ontruiming’ de achttienjarige Betsy Dommerholt in huis, die tot december 1942 Betsy Wolff had geheten, naar haar ongehuwde moeder. Hijme Stoffels had de niet-joodse vader bereid gevonden zijn vaderschap te erkennen en het meisje, nu half-joods geworden, zo te redden. We hebben al gezien hoe hij zich inspande voor twee jongens met een niet-joodse vader, de ons al bekende Daniël de Vries en Hans Kloosterman, en hoe deze inspanningen uiteindelijk beloond werden.

 

Op het lithografeerbedrijf Koningsveld, Breestraat 24, werkte sinds 1938 Toon Tetteroo, gezel op de tekenkamer. Na zijn huwelijk in augustus 1943 raakte hij betrokken bij het verzet. Het echtpaar woonde op Donkersteeg 7, boven de lunchroom, die een centrum van verzet was (net als het huis van Hijme en Eem Stoffels). Toon Tetteroo werkte samen met twee ambtenaren van de burgerlijke stand, Cor van Wijk en Kees Montanus; zijn opdracht was onder meer het vervalsen van papieren, zoals persoonsbewijzen. Met een zeer fijn krabmes, op het bedrijf gebruikt om te retoucheren, haalde hij de grote zwarte J’s uit persoonsbewijzen van joden. Zo leverde hij aan ijsverkoper Voortman in de Van der Werfstraat, getrouwd met een joodse vrouw (Betje Schelvis) een stuk of zes, zeven valse persoonsbewijzen af; daarvoor ontving hij een grote ijzeren doos met wafels. Op een zaterdagavond ging het bijna mis. Er was die middag een grote razzia geweest. Toen Toon Tetteroo naar huis ging, voorzien van een groot aantal persoonsbewijzen, bleek de ingang van de Donkersteeg bewaakt te worden door twee Oekraïners in Duits uniform. Er lagen twee doden in de steeg, één voor zijn voordeur. Hij hoorde zacht zijn naam roepen. In het volgende steegje, de Kuiperssteeg, stond een koerierster van het verzet. Zij bracht hem in veiligheid.

 

Ook de familie Christiaanse ontsnapte ternauwernood aan zeer groot gevaar. Het gezin, vader (die timmerman was bij het grote timmerbedrijf Van Vast), moeder en drie opgroeiende zoons, woonde sinds 1937 op Oude Singel 154, een paar huizen van de Zandstraat. Nummer 146 huurden ze van distilleerderij Hartevelt; dat werd een studentenhuis. Op 13 augustus 1942 stonden er twee joden, met hun ster op, voor de deur: Wolf Biedak en zijn zoon Bob (Samuel), uit Rotterdam. Ze zouden de hele oorlog bij de familie Christiaanse blijven, tot aan de bevrijding – en kwamen zelfs in juni 1945 terug, na een kort bezoek aan hun vaderstad. Pas in mei 1949, na het huwelijk van Wolf Biedak in de synagoge, vertrokken ze naar New York. Kort na hun komst naar Oude Singel 154 kwam een nieuwe onderduikster, mevrouw Cohen-Bialystok, familie van de Biedaks. Het studentenhuis op nr. 146 werd een doorgangshuis voor ondergedoken joden, waar studente Antje Holthaus de leiding had. In dit huis is zelfs een joodse baby ter wereld gekomen.

De familie Christiaanse kreeg geld van het verzet, maar dat veel was dat niet; moeder Christiaanse deed alle moeite om aan extra geld te komen. Ondanks de problemen werd er nooit een onvertogen woord tegen elkaar gesproken. De sfeer in huis was heel goed: ’s avonds, als het donker was, kwamen de onderduikers van nr. 146 en werden er spelletjes gedaan, gesjoeld, piano gespeeld, gezongen. Eens in de week was er vergadering met alle onderduikers, vooral over hoe men aan eten moest komen. Later in de oorlog werden vader en zoon Biedak onvoorzichtiger. Ze gingen met de heer Christiaanse mee naar de voetbalwedstrijden van ‘Oe-vie-es’ (U.V.S.) aan de Wassenaarse Weg, en Bob, anderhalf jaar ouder dan zoon des huizes Nico, kreeg op diens naam zwemles in de Overdekte!

Overal in huis had vader Christiaanse schuilkasten gebouwd. Eenmaal waren die zeer hard nodig: er was een razzia aan de gang. Vanuit Oude Singel 154 kon men de Duitsers de huizen aan de overkant stuk voor stuk zien binnengaan. Ook op de Oude Singel waren ze bezig. Tot ze op de hoek van de Zandstraat stopten, enkele huizen van nummer 154 af. De drie onderduikers daar hebben, na 33 maanden onderduik, de vrijheid in mei 1945 in Leiden begroet.

 

Zo heeft elke onderduiker zijn eigen verhaal. Wie ook in haar eigen stad onderdook, was Elly Boasson, achttien jaar oud. Haar zuster was gevlucht. Elly kon terecht bij juffrouw Oosterlee, lerares Frans aan de Meisjes-H.B.S., waar ze het jaar tevoren eindexamen had gedaan. Juffrouw Oosterlee was juffrouw Van Raalte opgevolgd, die als joodse lerares in november 1940 ontslagen was. Ze woonde in een ruim huis op Rijn en Schiekade 1. Daar had ze zich ook al ontfermd over de kinderen van haar zuster en zwager, die een beroemd zendeling op Celebes was, en enkele andere kinderen. Elly had bij ‘tante’, in haar eigen woorden, ‘de beste onderduik van iedereen’. Ze bleef bij haar van 12 augustus 1942, twee dagen vóór ze volgens haar oproep naar Westerbork had moeten gaan, tot aan de bevrijding. Ook hier was de sfeer in huis heel goed. Men sprak niet over persoonlijke problemen; alles werd stilzwijgend gedragen. In maart 1943 kregen ze gezelschap van Mia Mendelson, de oudste dochter van de koster van de synagoge. Mia, een goede vriendin van Elly, had toestemming van haar ouders gekregen om onder te duiken. De rest van het gezin Mendelson werd een maand later in Sobibor om het leven gebracht.

Een gemeenschappelijke vriendin, Pit Bakker, verzorgde de correspondentie tussen Elly en haar vriend Fritz Pollack, die vanaf 3 oktober 1942 in Westerbork zat. Elly en Fritz hadden elkaar voor de oorlog leren kennen op de jeugdvereniging Misjmar Hajardeen. Na het vertrek van Fritz en zijn ouders naar Bergen-Belsen, in januari 1944, verloren de geliefden het contact. In mei 1945 werd Elly met haar moeder en broer verenigd. Maandenlang zocht ze naar haar vriend Fritz. Eind augustus kwam er een telegram van hem uit Maastricht. Kort daarop stond hij voor de deur van de De Laat de Kanterstraat 15, het ouderlijk huis van Elly.

 

Hoe het verzet in Leiden georganiseerd was, is onderwerp geweest van enkele publicaties. Daaruit blijkt duidelijk dat er weliswaar bepaalde verzetsgroepen bestonden, maar dat uit veiligheidsoverwegingen zo min mogelijk leden elkaar persoonlijk kenden. Zelfs na de oorlog is het lang niet altijd duidelijk geworden, wie met wie in contact had gestaan; er werd uit de aard der zaak zo goed als niets aan het papier toevertrouwd.

Er zijn in de geschiedenis van het verzet vier fasen te onderscheiden: de periode tot lente 1941, toen het een zaak van slechts heel weinig mensen was; de tijd van voorjaar 1941 tot 1943, toen het verzet in omvang toenam; de anderhalf jaar tussen lente 1943 en september 1944, waarin het verzet kon rekenen op een brede steun onder de bevolking, en de periode vanaf september 1944, waarin het massale vormen aannam. Die periodisering is terug te voeren op de reacties van de bevolking op de Duitse maatregelen en het oorlogsverloop. Ons interesseert hier het meest de omslag in de eerste maanden van 1943.

Begin februari 1943 verloren de Duitsers de slag om Stalingrad. Daarmee was het iedereen duidelijk dat er een keer in de oorlog gekomen was. Velen verwachtten een spoedig einde. Op de dag dat er door de Duitsers een driedaagse publieke rouw werd afgekondigd, riep premier Gerbrandy op radio Oranje op tot obstructie van de Duitse maatregelen. Zondagochtend 21 februari 1943 lieten de kerken, voor het eerst sinds 26 juli 1942, weer openlijk van zich horen. Intussen was het grootste deel van de Nederlandse joden wel al naar Auschwitz gedeporteerd. Het was ‘de scherpste oproep, ooit gedaan’, die van de kansel klonk – en voor geen tweeërlei uitleg vatbaar: ‘Dit Woord [“Men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan de mensen”] verbiedt medewerking te verlenen aan daden van onrecht, waardoor men zich mede aan dat onrecht schuldig zou maken.’ De katholieke kerk deed er in een begeleidende eigen tekst nog een schep bovenop: ‘om alle twijfel en onzekerheid […] bij u weg te nemen, verklaren Wij met alle nadruk, dat medewerking in dezen [aan wegvoering van jongeren en – in de tweede plaats genoemd – joden] in geweten ongeoorloofd is. En, mocht het weigeren van medewerking offers van u vragen, weest dan sterk en standvastig in het besef, dat gij voor God en de mensen uw plicht doet.’

Iedereen die die dag ter kerke ging, hoorde dit expliciet uitgesproken verbod van de kerk om medewerking te verlenen aan onrecht, aan ophalen van joden, aan deportaties. En vele anderen zullen het nog diezelfde dag vernomen hebben. Zeker ook alle politieagenten van het Leidse korps. Hoe reageerden zij?

Agent van politie J.P. Rozemeijer, in dienst sinds 1919, was een vrome katholiek. De ondergrondse had hem van tevoren verteld dat de bijzondere dienst van 17 maart 1943  het wegvoeren van de joden uit Leiden betrof. Rozemeijer was voor die avond ingedeeld bij de groep die het joodse weeshuis moest ontruimen, maar hij weigerde dienst. Hij heeft er bijzonder veel moeite mee gehad dat mensen van de Katholieke Politiebond wel meegedaan hadden. In mei 1944 werd hij, samen met twee collega’s, Sepers en Poortman,  wegens verzetsactiviteiten gearresteerd en overgebracht naar de strafgevangenis van Scheveningen. In juni 1944 moesten zij naar Vught, na Dolle Dinsdag naar het concentratiekamp Sachsenhausen. In februari 1945 werd Rozemeijer naar Buchenwald gevoerd, waar hij op 12 maart 1945 om het leven kwam.

Was Rozemeijer een uitzondering in het Leidse politiecorps? Helaas wel, zij het niet de enige. Inspecteur D.W. van der Wal, woonachtig in de Wasstraat, niet ver van het joodse weeshuis, werd blijkens het dag- en nachtrapport van de politie op 17 maart ’s avonds om 22.45 uur op het bureau opgesloten. Waarom precies is niet duidelijk; het moet te maken hebben met enigerlei vorm van tegenwerking aan wat er die avond in Leiden plaastvond. De volgende ochtend werd Van der Wal in vrijheid gesteld. Op 22 maart meldde hij zich ziek; op 24 augustus werd hij ontslagen, met terugwerkende kracht tot – 1 maart 1943. Hij werd verder met rust gelaten.

Verder is van niemand van de 148 man die het Leidse korps toen telde, iets bekend van tegenwerking op die dag – of er moesten zich onder de elf zieken agenten verschuilen die op deze wijze dienst weigerden. Dat wil niet zeggen dat bijna alle korpsleden ‘fout’ waren. Het staat vast dat er tenminste enkelen contact hadden met het verzet – en door dezen en via dezen zijn alle joden die nog in Leiden woonden gewaarschuwd. Van de overigen – het overgrote merendeel – zullen toch zeker de meesten de hun opgedragen taak met tegenzin, zo niet met afschuw vervuld hebben. Maar ze weigerden niet. De kerken hadden, wat het Leidse politiekorps betreft, toch haast tevergeefs gesproken.

 

 

  1. Verraad

 

Mede dankzij de bewaard gebleven lijsten van de politie Leiden met ‘geëvacueerde’ en ‘voortvluchtige’ joden weten we vrij precies hoeveel Leidse joden ondergedoken waren; uit de dag- en nachtrapporten en het arrestantenregister is op te maken hoeveel joden uit de onderduik zijn opgepakt – door twee Leidse rechercheurs, in Leiden, in de regio en daarbuiten, van Wervershoof in West-Friesland tot Strijen in de Hoekse Waard.

Een berekening leert dat tenminste 137 mensen uit de Joodse Gemeente Leiden zijn ondergedoken. Alle lijsten van de politie tesamen, inclusief die van 23 gemengd gehuwden en drie (drie!) na 17 maart 1943 ‘met speciale vergunning’ in Leiden achtergebleven joden, tellen 303 personen. Met de om diverse redenen op deze lijsten ontbrekende personen levert dat een totaal op van 372. Dat betekent dat tussen augustus 1942 (waarschijnlijk vanaf de twaalfde van die maand) tot 17 maart 1943 bijna 37 procent van alle Leidse joden is ondergedoken.

Van de 101 op de lijsten van de politie voorkomende onderduikers zijn er in de daaropvolgende maanden 17 gearresteerd, van wie zeven in Leiden zelf. In de dag- en nachtrapporten uit de periode 24 maart 1943 tot 2 februari 1944 worden bij elkaar 164 gearresteerde joden vermeld, van wie 145 met naam. Elf van hen waren niet uit de onderduik opgepakt: dezen woonden tot hun arrestatie nog ‘legaal’ in de stad. Twaalf maal staat er in het rapport niet bij waar de onderduikers gearresteerd zijn; het gaat hierbij om in totaal 26 personen. Van de overigen weten we wel zeker of vrijwel zeker waar ze opgepakt zijn. In de Leidse regio betreft het 86-94 onderduikers, van wie 37-42 in de stad zelf; en eveneens in Leiden alle elf nog ‘bovengronds’ wonende joden, onder wie als laatsten de Portugese joden: Rachel Cosman-Mendes da Costa (de penningmeesteresse van het weeshuis) van Witte Singel 19, en de 76-jarige Elisabeth Belinfante-Belinfante, met haar zoon, schoondochter en drie kleinkinderen uit Katwijk – van wie de oudste drie jaar was, de jongste een pasgeboren baby, twee weken oud. Zij werden van Groenhovenstraat 14 opgehaald, om half drie in de nacht van 1 op 2 februari 1944. Presser noemt deze kinderen, zij het niet met hun naam, in zijn standaardwerk Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom.

Die laatste arrestaties werden uitgevoerd door de Sicherheitspolizei van Rotterdam, zoals het dag- en nachtrapport van de politie Leiden vermeldt. Een enkele keer blijken er anderen dan leden van het Leidse politiekorps joodse onderduikers in Leiden te hebben opgehaald: op 28 juli 1943 arresteerde een Haagse rechercheur een viertal joden op Rapenburg 85, op 26 augustus 1943 was het de Sicherheitspolizei, die vijf onderduikers van Jan van Goyenkade 8 en één van Burggravenlaan 22 wegvoerde. Maar overigens is het eindeloos trieste en weerzinwekkende verhaal in de dag- en nachtrapporten uiterst monotoon: als er namen van de daders genoemd worden, zijn het steeds – negentwintig maal – die van de rechercheurs (of ‘opperwachtmeesters’)  De Groot en Biesheuvel, meestal samen en meestal in die volgorde genoemd. De N.S.B.-ers vormden sinds 1 maart 1943, toen Biesheuvel Van der Plas was opgevolgd, de afdeling Documentatiedienst. Die dienst was in november 1942 door korpscommandant Hoffmann in navolging van de grote steden opgericht; hij was bedoeld om allerlei politiek gevoelige zaken te behandelen en kreeg zijn instructies vaak direct van de Sicherheitspolizei en de Sicherheitsdienst in Den Haag. In 1943 hielden De Groot en Biesheuvel zich vooral bezig met het opsporen en arresteren van joodse onderduikers. Uit de dag- en nachtrapporten blijkt dat zij in nog geen tien maanden tijd tenminste 75, maar naar alle waarschijnlijkheid 129 joden hebben opgepakt. Vrijwel niemand van de opgepakten heeft de oorlog overleefd. De Groot heeft voor zijn misdaden moeten boeten: hij werd op 17 januari 1944, toen hij met Biesheuvel in Rijnsburg een ondergedoken jood wilde aanhouden, doodgeschoten door de bewoner van het pand.

Zo arresteerden de twee rechercheurs in de nacht van 9 op 10 juni 1943 om 2 uur bij kleermaker Johannes van Weeren op Herengracht 74 vijf jonge Amsterdamse joden, 17 tot 22 jaar oud. De volgende nacht om 1 uur haalden zij uit het buurhuis, bij Wilhelm van Evert op nummer 76b, Abraham Poons, zijn vrouw, zoon en schoondochter en haar moeder. De familie Poons had vlakbij, op Herengracht 18, gewoond. De onderduikgevers werden tegelijkertijd aangehouden. Na twee nachten op het Leidse politiebureau werden beide groepen op transport naar Den Haag gesteld.

Bewijs van hun gecoördineerde acties levert onder meer de avond van 3 mei 1943, toen om tien uur in Koudekerk de heer en mevrouw Vreeland uit Jan Vossensteeg 52 gearresteerd werden en een uur later in de  Bilderdijkstraat op nummer 6 in Leiden hun beide kinderen, Sara van zeventien en Anna van dertien. Op 23 juni 1943 om tien voor twaalf ’s avonds waren De Groot en Biesheuvel op Oude Rijn 48, waar ze Jacob Philipson, de administrateur van het weeshuis, en zijn bejaarde schoonouders oppakten. Ze werden alle een maand later in Sobibor vermoord. De vrouw van de heer Philipson en zijn vier kinderen, van wie de oudste toen zeven jaar was en de jongste, Menachem, pas acht maanden, overleefden de oorlog in de onderduik.

Op 25 juli 1943 werden veertien joodse onderduikers in Hillegom ‘in arrest gesteld’, onder wie Margaretha Groote-Naarden en haar niet-joodse echtgenoot Petrus Jacobus Grootte met hun vijf maanden oude dochtertje Yvonne Groote. Ze moesten twee nachten opgesloten doorbrengen in het politiebureau aan de Zonneveldstraat. De volgende nacht kregen ze daar gezelschap van nog vier in Hillegom opgepakte onderduikers, onder wie de achttien maanden oude Anneke van Thijn. Die nacht, van 26 op 27 juli, zaten er dus een baby van vijf maanden en een peuter van anderhalf als arrestanten in een politiecel in Leiden. Op 27 juli werden beide groepen naar Den Haag overgebracht.

In de  vroege ochtend van de 29ste, om half zes, arresteerden De Groot en Biesheuvel Goldine Schönthal-von der Wall, haar dochter en een 21-jarige vrouw met haar tante en zwager in de Regentesselaan op nummer 40 in Oegstgeest, waar ze zaten ondergedoken bij de buurvrouw van weduwe Schönthal. Om tien over zes verzocht De Groot om een dokter voor mevrouw Schöntal. Tien voor zeven rapporteerde Biesheuvel dat de dokter na onderzoek had verklaard ‘dat de patient C.v.d.Wall een beroerte heeft gehad en vermoedelijk niet lang meer zou leven. Haar dochter en een tante, beide verpleegsters, zullen de verzorging op zich nemen, deze zijn beide ook arrestanten.’ De volgende avond was het De Groot weer, die meldde dat de vrouw met haar dochter waren ‘over gebracht naar het Academisch Ziekenhuis, afdeeling Neurologie. Zij zijn onder bewaking van de politie.’ Zes weken later, op de avond van 10 september 1943, haalden De Groot en Biesheuvel de twee vrouwen, met Samuel Rozenblad uit Den Haag, uit het Academisch Ziekenhuis. Ze gaven de arrestanten op het station over aan de Sicherheitspolizei van Den Haag. Goldine Schönthal-von der Wall werd op 24 september 1943, 66 jaar oud, in Auschwitz vermoord, haar dochter, 38 jaar oud, waarschijnlijk op diezelfde dag.

Een groot deel van deze uit de onderduik opgepakte joden zijn verraden door medeburgers. Frits Stoffels zegt in ‘Reddende mensen’: ‘Stille verraders waren er in nogal groten getale. Bij de politie kwamen soms briefjes binnen in de trant van: “Jullie hebben wel naar onderduikers gezocht op nummer 48, maar ga ook eens zoeken op 44 of 46, want daar zitten er volgens mij ook een stel”. Zulke verradersbriefjes waren anoniem. Bevriende agenten stopten dit soort correspondentie wel eens in de bus bij Hijme en Eem Stoffels.’

Door de ‘foute’ Nederlanders hebben vele duizenden het leven gelaten. Maar als er geen ‘goede’ waren geweest, had het joodse leven in Leiden na de oorlog nooit weer opgebouwd kunnen worden.

 

 

  1. De voortzetting van het joodse leven na de oorlog

 

Zondagmiddag 6 mei 1945 tekende generaal Blaskowitz in Wageningen de capitulatie van de Duitse troepen in Nederland. Vijf mei dacht heel Nederland al bevrijd te zijn, naar aanleiding van de overgave van de Duitse legers in Noord-West-Europa; West-Nederland was toen echter van die overgave nog uitgezonderd. Leiden was op 5 mei 1945 ’s morgens om half negen al ‘één vlaggenzee’, zoals Han de Wilde in zijn dagboek noteerde. Maar pas de volgende dag hadden gewapende ondergrondse strijders de plaats van de Duitse militairen in de stad ingenomen. Op 8 mei hielden de Canadezen en de Prinses Irene-brigade hun glorieuze intocht in Leiden. De Canadezen sloegen hun tenten op in het bos van Oud-Poelgeest in Oegstgeest.

Vreugde alom bij de Leidse bevolking. Maar voor de joden die ondergedoken hadden gezeten, betekende het einde van de oorlog iets heel anders: in de eerste plaats grote zorgen over alle familieleden die gedeporteerd waren en over wiens lot men nog niets wist. Het duurde vaak maanden, soms zelfs langer dan een jaar, vóór men van overlevenden die uitsluitsel konden geven, bericht kreeg, of van het Nederlandse Rode Kruis. Slechts een heel klein deel van de gedeporteerden werd verenigd met familie die ondergedoken had gezeten: van de ongeveer 107.000 weggevoerde joden overleefden slechts ruim 5.000 de oorlog. Van de joden die vanuit Westerbork naar Auschwitz waren gevoerd, kwamen er nog geen 900 terug. Onder hen Didia Klein, die dertien jaar in het joodse weeshuis in Leiden had gewoond en in Westerbork getrouwd was met een Duitse vluchteling. Uit Sobibor keerden slechts 19 mensen terug.

Hans Kloosterman, na tien weken uit kamp Westerbork ontslagen, kon na de oorlog geen enkel familielid van moederszijde (zijn vader was niet-joods) meer terugvinden. Totdat in februari 2002 bleek dat een volle neef en nicht van hem nog in leven waren. Elly Boässon, 33 maanden lang ondergedoken in Leiden, werd eind augustus 1945 herenigd met haar vriend Fritz Pollack, die – nog doodziek – terugkwam uit Duitsland.

Zo had elke joodse familie in Nederland zijn geschiedenis – die tot op de dag van vandaag doorwerkt, in de tweede en zelfs de derde generatie. Verwerking van dit peilloze verdriet was vaak niet mogelijk. Het enige dat na de oorlog van belang leek, was de wederopbouw: het opnieuw opbouwen van het eigen leven – met werk, veelal nieuwe huisvesting, kinderen – en van het gemeenschapsleven. Hard werken kon het verdriet deels doen vergeten.

 

Zaterdag 2 juni 1945 werd er in de Stadsgehoorzaal een dankdienst gehouden van en voor de joodse onderduikers in Leiden. De Canadese legerrabbijn Isaäc Rose sprak er een kort woord; de heer Levisson, directeur van de Nederlandsche Rotogravure, vatte de gevoelens die bij allen leefden samen in de zin: ‘Dit moment van vreugde wordt overschaduwd door het leed om datgene wat ons bekend is, en verduisterd door de vrees voor het lot van velen, dat ons onbekend is.’

Van de 264 leden die de Joodse Gemeente Leiden in 1942 telde, bleken 113 de oorlog overleefd te hebben: bijna 43 procent. Dit percentage is vrijwel gelijk aan dat van alle overlevenden van de joden die in 1942 en begin 1943 in de burgerlijke gemeenten, die tot de Joodse Gemeente Leiden behoren, gewoond hebben. Van die totale bevolking uit die periode, tenminste 490 personen, kwamen er zeker 270 om het leven. Het percentage overlevenden van bijna 45% is hoger dan van welke joodse gemeente in Nederland ook, althans voorzover bekend. Wel komt het vrijwel overeen met dat van Enschede (ongeveer 43%). Van tien gemeenten waarvan de joodse bevolking in grootte ongeveer vergelijkbaar is met die van de Joodse Gemeente Leiden (250 tot 665 joden in 1941) en waarvan het aantal overlevenden enigzins nauwkeurig bekend is, schommelt dat percentage tussen 4 en 36 procent. Winschoten, waar slechts ongeveer 20 van de bijna 500 joden de oorlog doorkwamen, is landelijk gezien een grote uitzondering. De andere negen gemeenten verloren tussen 64 en 84 procent van hun joden. Mogelijk is de joodse gemeenschap van Leiden met die van Enschede de enige in het land waar minder dan 60 procent van om het leven kwam. Dat moet aan een combinatie van factoren te danken zijn. Allereerst was er in de stad en omgeving een groot verzetsnetwerk. Daarnaast woonden er nog tot in maart 1943 veel joden ‘legaal’ in Leiden. De keer in de oorlog, één maand eerder, had voor een brede steun onder de bevolking voor het verzet gezorgd. Tenslotte moet gerefereerd worden aan het opvallend hoge aantal ‘half- en kwartjoden’ in 1941, wat betekent dat er in Leiden al gedurende langere tijd gemengd gehuwd werd. Anders gezegd, dat de joodse gemenschap hier kennelijk al sterker geassimileerd was dan in vele andere plaatsen. Die assimilatie kon helpen aan de deportaties te ontkomen.

 

Van groot belang voor de joodse gemeenschap in Leiden was vanzelfsprekend het herstel en opnieuw in gebruik nemen van het centrum van het joodse leven: de synagoge. Het gebouw had de laatste oorlogsjaren moeten dienen als pakhuis en clandestien slachthuis. Gelukkig bleef een aantal belangrijke eigendommen gespaard, die tijdig in bewaring waren gegeven bij het Stedelijk Museum de Lakenhal (verschillende kerksieraden) en het stadhuis (zes wetsrollen – en wetsrol bevat de Tora, de eerste vijf bijbelboeken – en de rol van Esther). In juni 1947 kon de joodse gemeente weer over haar gebouw beschikken.

Dat jaar verrees op de begraafplaats in Katwijk aan den Rijn ook een monument voor de om het leven gebrachte gemeenteleden, met in Hebreeuws en Nederlands de indrukwekkende tekst: ‘Deze steen zij een gedenkteken ter herinnering aan onze gemeenteleden die in de jaren 5702-5705 (1942-1945) door de vijanden van ons volk wreedaardig werden omgebracht. Mogen zij rusten in de schaduw van de Almachtige’.

 

Eind jaren veertig en begin jaren vijftig emigreerde een aantal joodse Leidenaars naar Israël. Onder hen Elly en Fritz Pollack, die in augustus 1950 in de synagoge van Leiden in het huwelijk waren getreden. Zij vertrokken in 1953.

Professor Meijers, in 1910 op dertigjarige leeftijd hoogleraar in Leiden geworden, werd in 1945 in zijn ambt hersteld. Hij had met zijn gezin kamp Theresienstadt overleefd. In april 1947 kreeg hij de opdracht een nieuw burgerlijk wetboek voor Nederland te ontwerpen. Tot zijn zeventigste bleef hij hoogleraar.

Een zeer merkwaardig intermezzo in deze tijd was de jesjiwa (de naam voor een talmoed-hogeschool, een opleiding voor rabbijnen) van Hongaarse joden in het gebouw van het voormalige weeshuis aan de Roodenburgerstraat. Half december arriveerde uit het Hongaarse dorpje Hajdunanas een groep van veertien joden. Deze groep bestond uit elf jongens van dertien tot negentien jaar,  hun rabbijn met zijn vrouw en geadopteerd dochtertje van tien jaar. De Hongaren bleven bijna twee jaar in het vroegere weeshuis wonen; eind augustus 1950 vertrokken ze pas weer. Kort daarop verkocht de Vereniging Centraal Israëlietisch Wees- en Doorgangshuis hun gebouw aan de gemeente Leiden. Een deel van de opbrengst werd, met die van de verkoop van de joodse weeshuizen in Utrecht en Den Haag, geschonken aan een nieuw weeshuis in Kfar Juliana in Israël. Het pand aan de Roodenburgerstraat huisvestte daarna nog enkele kleuterklassen. Na een grondige verbouwing in 1962, bood het onderdak aan de G.G.D.. Deze dienst gebruikt het gebouw tot op de huidige dag.

 

Zeventien jaar na de verkoop van het – op de synagoge na – meest opvallende joodse gebouw van Leiden kwam er, in 1968, iets voor terug: een joods studentenhuis, met een mensa en een kosjere keuken, pal naast de synagoge aan het Levendaal. Nadat de belangstelling hiervoor afgenomen was, werd het huis in de jaren 1983-1984 gerenoveerd en voor herbewoning geschikt gemaakt. De mensa veranderde in gemeenschappelijke woonkamer; de kosjere keuken is gebleven. Het studentenhuis wordt nu voortdurend bewoond.

De renovatie van het studentenhuis volgde op de restauratie van de synagoge. Leo Levie, secretaris van de Joodse Gemeente Leiden: ‘Toen ik hier kwam in de jaren zeventig, was het met de sjoel [synagoge] heel erg slecht gesteld. Het gebouw stond op instorten en je zakte bijna door de banken.’ In 1977 begon een grootschalige restauratie, met steun van Monumentenzorg en vele particulieren. Ook moest het meubilair vervangen worden. Een gelukkige omstandigheid was dat de Grote Synagoge aan de Wagenstraat in Den Haag het jaar tevoren gesloten was, waardoor het zeer fraaie meubilair voor hergebruik beschikbaar kwam. Bima – de plek van waaraf uit de wetsrol wordt voorgelezen – en banken van die Grote Synagoge waren afkomstig uit de laatst ingewijde synagoge van voor de oorlog, de in januari 1938 in gebruik genomen ‘sjoel’ in de De Carpentierstraat in Den Haag. Die sieren nu de Leidse synagoge, evenals de ‘meeverhuisde’ grote koperen kroonluchters. Op 29 maart 1978 werd het gebouw feestelijk heringewijd.

Een maand vóór de heropening werd de Stichting Vrienden van de Leidse synagoge opgericht, met als doelstelling ‘bij te dragen aan de instandhouding van de synagoge als joods gebeds- en leerhuis en cultuurhistorisch monument.’ Die instandhouding gaat de draagkracht van de ongeveer 45 gezinnen die lid zijn van de Joodse Gemeente vanzelfsprekend verre te boven. Als gebedshuis functioneert de synagoge tot op de dag van vandaag: één keer per maand wordt er op Sjabbat een dienst gehouden. Bovendien viert men er alle belangrijke feestdagen en is er incidenteel een choepa, een huwelijksvoltrekking, en een bar-mitswa, de viering van de religieuze volwassenwording van een joodse jongen op dertienjarige leeftijd – zoals die van Leo Levie’s zoon Jaïr Max Levie in 1996.

Leerhuis is de synagoge in de eerste plaats voor de ongeveer twintig kinderen van vier tot dertien jaar, die hier elke zondagochtend van drie leraressen joods onderwijs krijgen. Daarnaast wordt aan deze functie van leerhuis al sinds 1984 op wel heel speciale wijze vormgegeven: in dat jaar ging het Joods Studiecentrum van start. Het centrum heeft inmiddels landelijke bekendheid als plaats waar aan joden zowel als niet-joden de gelegenheid geboden wordt tal van cursussen te volgen, waaronder als meest opmerkelijke te noemen zijn de cursussen Jiddisch: de taal van de Oost-Europese joden, die in Nederland vrijwel nergens anders gedoceerd wordt.

Cultuurhistorisch monument mag de Leidse synagoge uit de aard der zaak heten. Maar aan dit aspect is een bijzondere waarde toegevoegd door de algehele conservering van vijf van de zeven aanwezige parochot (voorhangsels voor de Heilige Arke, de kast waarin de wetsrollen en toebehoren bewaard worden) in de jaren 1987-1990. Afgezien van drie eigen voorhangels, beschikt de synagoge ook nog over vier parochot van buiten Leiden.

 

In 1998 keek Leo Levie, in een artikel in het joodse tijdschrift Hakehillot, terug op twintig jaar opbouw van het joodse leven in Leiden. Er is in deze ‘kille [gemeente] met saamhorigheid’ in die tijd heel veel bereikt. ‘We zijn heel kleinschalig begonnen, maar het werk is met het jaar steeds meer geworden. Het is duidelijk dat we nog genoeg werk voor de komende jaren hebben. We blijven in beweging en gaan ook mee met onze tijd.’

De Joodse Gemeente Leiden kan trots zijn op wat ze, met name in de laatste kwarteeuw, tot stand heeft weten te brengen. Het joodse leven bloeit in Leiden. ‘Het belangrijkste is de goede sfeer. Er is echt sprake van saamhorigheid’, concludeert Leo Levie. En vanuit die sfeer en die saamhorigheid heeft de gemeenschap zich op bijzondere wijze opengesteld voor de niet-joodse omgeving. Talloze rondleidingen in de synagoge, lezingen van het Genootschap Nederland-Israël, cursussen in het Joods Studiecentrum getuigen daarvan. De stad mag zich daarmee gelukkig prijzen.

 

 

Dankwoord

 

Dit boekje is niet zonder pijn ontstaan: pijn bij de velen die, in hun herinneringen teruggaand, oude wonden openhaalden; pijn ook bij het beschrijven van dit onvatbaar verdrietige stuk van het verleden. Zonder persoonlijke herinneringen zou het verhaal een schrijnend kleurloos verslag van ‘historische gebeurtenissen’ zijn gebleven. Maar voor de betrokkenen ís het vaak geen ‘geschiedenis’ in de gewone zin des woord: het is niet ‘voorbij’. Ik ben hen dan ook zeer dankbaar, dat zij desondanks hun herinneringen met mij hebben willen delen.

Mijn dank gaat ook uit naar allen die op andere wijze hebben bijgedragen aan het tot stand komen van de tentoonstelling en dit boekje. Jetteke Bolten, directrice van het Stedelijk Museum de Lakenhal, heeft een aantal van hen al genoemd. Ik wil hier graag háár naam noemen, omdat zonder haar bereidwilligheid en persoonlijke betrokkenheid tentoonstelling noch boekje tot stand waren gekomen. Ingrid Moerman, conservatrice van de historische afdeling van het museum, heeft dit boekje een vorm gekregen die veel meer ruimte bood om mijns inziens essentiële informatie te kunnen opnemen. Haar dank ik ook voor het corrigeren van de tekst. De aangrijpende omslag en de rest van de vormgeving werden verzorgd door André van de Waal, door zijn ouders zelf ook direct betrokken bij het onderwerp.

Vele mensen hebben stukjes en brokjes van die informatie kunnen en willen geven; enkelen vertelden aanzienlijk meer dan stukjes en brokjes. Met name ben ik de weinige nog in leven zijnde oud-bewoners van het joodse weeshuis zeer veel verschuldigd; niet in de laatste plaats voor hun hartelijke vriendschap en gastvrijheid. In volgorde van leeftijd zijn dat Mimi de Wind-Weiman uit Scheveningen, Piet (in het weeshuis Daniël) de Vries uit Hilversum en Hans Kloosterman uit Kingswood, Australië. Ook Lies Schenk-van Straten uit Amsterdam heeft willen spreken. De laatste kinderjuffrouw van het huis, Mary Vromen-de Raaij, stuurde meer dan dertig pasfoto’s van de voltallige leiding en bijna alle oudere kinderen van het weeshuis uit Israël. Aan haar is de indrukwekkende portretgalerij op de tentoonstelling grotendeels te danken. Mevrouw De Wind en Piet de Vries stelden ook vele foto’s ter beschikking. Van Hans Kloosterman ontving ik uit Australië zijn zeer uitvoerige herinneringen aan zijn weeshuistijd, van 1929 tot 1943. Het is de bedoeling dat al dit prachtige materiaal en de vele herinneringen aan het weeshuis een plaats krijgen in het door mij te schrijven gedenkboek Toevlucht voor wezen. Geschiedenis van het joodse weeshuis in Leiden 1890-1943, dat zal verschijnen bij Uitgeverij Canaletto / Repro-Holland in Alphen aan den Rijn.

Donald de Marcas en zijn vrouw Sonja  Bernd’t dank ik voor hun hartelijke vriendschap, en Donald voor zijn zeer belangrijke bijdrage aan de tentoonstelling.

Wellicht de mooiste ‘ontdekking’ tijdens de voorbereidingen van de tentoonstelling was de aanwezigheid in het Herinneringscentrum Kamp Westerbork van een fotoalbum van één van de Duitse vluchtelingen in het joodse weeshuis, Lotte Adler, haar koffer en een door het weeshuisbestuur geschonken pianoboek. Hiervoor zeg ik Marleen Riool uit Leiderdorp hartelijk dank. Een schoolvriendin van Lotte, Jopie Vos (thans mevrouw Schröder), had deze persoonlijke bezittingen uit handen van Lotte ontvangen, vóór de deportatie van het weeshuis. Bijna zestig jaar lang heeft mevrouw Schröder het fotoalbum – een onvervangbaar document, het eerste album dat van één van de weeshuisbewoners bekend is geworden -, de koffer en het muziekboek zorgvuldig bewaard. In augustus 2002 schonk zij ze aan het Herinneringscentrum. Gerard Rossing van het museum dank ik voor zijn grote betrokkenheid. Hij was het ook die meedeelde dat in april 2002 de zus van Etty Heerma van Voss, mevrouw Meershoek, enkele kaartjes en een prachtig portret van haar zusje, alsmede een zeer ontroerend kaartje van haar moeder aan Etty aan het Herinneringscentrum geschonken had.

Tot slot dank ik mijn vrouw Martine, die er altijd voor me is. Haar steun was onmisbaar.

 

Ik hoop van harte dat allen die aan de totstandkoming van dit boekje meegewerkt hebben, zich kunnen vinden in de uiteindelijke vorm en inhoud. Het is onmogelijk iedereen volkomen recht te doen. Te velen worden hier niet genoemd, en de personen die in het boekje optreden moeten spreken voor een heel groot aantal anderen, met soms geheel andere ervaringen. Laten zij die nog leven, of van wie nog nazaten in leven zijn, en die evenzeer van belang zijn geweest in dit stuk van de geschiedenis, met name door hun leven te wagen om medemensen te redden, het mij niet euvel duiden dat zij niet vermeld worden. Deze publicatie wil een aanzet vormen voor verder, diepgaand en meer volledig onderzoek. Naar de auteur hoopt, komt dat onderzoek er spoedig. Er zijn er niet veel meer die over hun medewerking aan het verzet kunnen vertellen.

Niemand realiseert zich de tekortkomingen van dit boekje beter dan de auteur. Op- en aanmerkingen zijn dan ook bijzonder welkom.

Tot slot wil dit boekje natuurlijk vooral het verhaal vertellen van onderdrukking en verzet, van vervolging en bescherming. Een verhaal van niets ontziende wreedheid, van medewerking daaraan, maar ook van tegenwerking met gevaar voor eigen leven. Zo ergens, dan komt in dit stuk geschiedenis duidelijk naar voren dat de mens in zijn leven soms voor keuzes staat waarvan de gevolgen enorm groot kunnen zijn. In de Tweede Wereldoorlog ging vaak het om leven en dood. Maar de Tweede Wereldoorlog is geen voorbije geschiedenis, die ons niets meer te zeggen heeft. Vreemdelingenhaat, gewillige collaboratie met het kwaad, maar ook verzet daartegen zijn van alle tijden, van alle dag. Laten wij de geschiedenis niet vergeten.

 

 

Leonard Kasteleyn

februari 2003

 

 

 

Literatuur en bronnen

 

Algemeen

 

Het enige overzicht over de gehele geschiedenis van de Joodse Gemeente Leiden biedt in kort bestek het artikel over Leiden in J. Michman, H. Beem en D. Michman, Pinkas. Geschiedenis van de joodse gemeenschap in Nederland (Amsterdam/Antwerpen 1999), pp. 456-461, met uitgebreide literatuurlijst. Informatief, maar niet vrij van fouten (b.v.: ‘Op 12 juni 1941 moesten de joden hun huizen verlaten en naar elders in de stad verhuizen’.)

Van 7 oktober tot 8 november 1980 was in het Gemeentearchief Leiden de tentoonstelling Joden en Leiden  te zien. Mevrouw E.M. van Enter schreef er een aardige catalogus (36 pp.) bij, met gelijknamige titel. Ook hierin wordt de gehele geschiedenis behandeld.

 

  1. De joodse gemeenschap in Leiden 1714-1933; 2. Joods leven in de jaren dertig

 

Het eerste artikel is dat van D.S. van Zuiden, ‘Iets uit de geschiedenis der Joden te Leiden’, Leidsch Jaarboekje, 17 (1920), pp. 76-96.

De archieven van de Joodse Gemeente Leiden over deze periode bevinden zich in het Gemeentearchief Leiden (Kleine archieven, inventaris 21).

In 1999 reproduceerde het Gemeentearchief Leiden in zevenvoud het manuscript De Joden van Leiden, van W.F. van Zegveld (gedateerd 1993). Hierin een overvloed aan genealogische gegevens, echter vrijwel zonder ordening; personen komen soms op meerdere plaatsen voor. Over het algemeen echter zeer betrouwbaar, en de basis van elk genealogisch onderzoek naar Leidse joden.

 

  1. Het joodse weeshuis

 

Het archief van het joodse weeshuis is verloren gegaan (of bevindt zich op onbekende locatie). Enige correspondentie in de archieven van de Joodse Gemeente Leiden. Voor de tijd tot 1929 daarom nog steeds van belang het gedenkboek van I.S. Leman, Uit de geschiedenis van een nuttige instelling. Het Centraal Israëlietisch Wees- en Doorgangshuis te Leiden in woord en beeld (1890-1929), met overzicht van alle bestuursleden van de vereniging tot dusver en aardige illustraties. De ontruiming van het weeshuis staat centraal in Een pot piccallily voor Westerbork van de journalisten G. Kerkvliet en M. Uitvlugt, uit maart 1973 (gestencild), in 1974 overgenomen door Studia Rosenthaliana als ‘De vernietiging van het Joodse weeshuis te Leiden tijdens de bezetting. Een verslag’ (8 (1974) pp. 268-299) en in 1988, weer als ‘Een pot piccallily voor Westerbork.Verslag van de vernietiging van het Joodse weeshuis te Leiden in 1943’,  in het Leids Jaarboekje 80 (1988), pp.147-180 ( met illustraties). Van belang vooral vanwege de gegevens afkomstig van het echtpaar Stoffels (de heer Stoffels overleed in 1975). Overigens uit de aard der zaak niet wetenschappelijk. Recentelijk in T. van Duin en K. van Ommen, Van stadspolder tot beschermd stadsgezicht. Ontstaan en groei van de Professoren- en Burgemeesterswijk en Rijndijkbuurt (Leiden 2000), een kort, fraai geïllustreerd hoofdstuk, ‘De afgebroken geschiedenis van het Joods Weeshuis’ (pp. 84-87).

 

  1. Joodse vluchtelingen uit Duitsland

 

In G. van der Harst en L. Lucassen, Nieuw in Leiden. Plaats en betekenis van vreemdelingen in een Hollandse stad (1918-1955) (Leiden 1998) een hoofdstuk ‘De geschiedenis van Prinkwas Rozenczwaig en anderen: joodse vluchtelingen, 1933-1943’. In het Leids Jaarboekje 91 (1999), pp. 170-195, een artikel van C.K.M. Biezen, De opvang van joodse vluchtelingen door de Leids-joodse gemeenschap tussen 1933 en 1940. Van groot belang zijn verder de politiearchieven, met name dat van de Vreemdelingendienst.

 

  1. De eerste anti-joodse maatregelen; 7. Naar een totaal isolement; 12. Gemengd gehuwden

 

Nog steeds toonaangevend zijn de werken van Presser en De Jong, die de meest exacte informatie geven. Wel wijdt Presser slechts enkele zinnen aan de evacuatie van de niet-Nederlandse joden uit het kustgebied en noemt De Jong deze maatregel in het geheel niet. Hiervoor weer van belang het vreemdelingenregister van de Leids politie.

Over de weerslag van de maatregelen B. Goudriaan, Leiden in de Tweede Wereldoorlog van dag tot dag. Een kroniek van 10 mei 1940 tot 15 augustus 1945 (Leiden 1995). Zeer informatief, maar helaas met veel fouten. Belangrijk in zijn gebruik van dagboeken van Leidenaars.

 

  1. De joodse scholen

 

Over de joodse scholen zijn pas de laatste paar jaar enkele publicaties verschenen. De joodse lagere school in Leiden wordt in dit boekje voor het eerst kort besproken. Op het Gemeentearchief bevindt zich een archiefje over deze school, bij de afdeling onderwijs van de gemeente (O/162).

 

  1. Oproepen, deportaties, onderduik; 9. Maart 1943; 14. Verraad

 

Hiervoor is het Politiearchief de belangrijkste bron. Hoofdstuk 9 corrigeert het wat dit onderdeel van de geschiedenis betreft tendentieuze artikel van J. Mieremet en W. Rozendaal, ‘De Leidse politie tijdens de Tweede Wereldoorlog’, in het Leids Jaarboekje 87 (1995), pp. 95-134, vrijwel ongewijzigd overgenomen in A.N. Stuifbergen en W. Rozendaal, De Leidse agent, een monument (z.p., 2001), pp. 99-129. De ontruiming van het weeshuis wordt hier in één alinea behandeld, in de paragraaf ‘Tegenwerking vanuit het korps’ (de enige terugblik in het artikel, dat tot de zomer van 1944 was gekomen). De auteurs nemen aan ‘dat de feitelijke ontruiming door de foute korpsleden en de vrijwillige hulppolitie is gedaan’. Over het ophalen van de joodse burgers elders in de stad, diezelfde avond, wordt gezwegen – hoewel reeds Presser dat in 1965 vermeldde.

 

  1. Westerbork

 

Voor dit onderwerp zijn allereerst de publicaties van het Herinneringscentrum Kamp Westerbork van belang.

 

  1. De kampen

 

Voor Sobibor is het belangrijkste overzichtswerk J. Schelvis, Vernietigingskamp Sobibor (Amsterdam 1993), met achterin de eerste druk alle transportlijsten van 2 maart tot 20 juli 1943. Het laatste en beste (en in feite het eerste) overzicht voor de geschiedenis van Auschwitz in al zijn aspecten is Y. Gutman en M. Berenbaum, Anatomy of the Auschwitz death camp (Bloomington/Indianapolis 1998).

 

  1. Verzet en onderduik

 

Een heel algemeen gesteld overzicht in M. Schwegman en I. Schöffer, Ook in Leiden … Over verzetswerk in en om de stad 1940-1945 (Leiden 1985). Specifieker is R.C.J. van Maanen, ‘Getuigenissen van het Leidse verzet’, Leids jaarboekje 87 (1995), pp. 33-67.

 

  1. De voortzetting van het joodse leven na de oorlog

 

Over de restauratie van de collectie voorhangels (parochot) in de synagoge heeft de Joodse Gemeente Leiden een prachtig geïllustreerd boek uitgegeven, F. Hiegentlich, H. van het Hoofd en L. Levie (red.), Leidse parochot. Voor de glorie van de synagoge [Leiden 1996]. De joodse gemeente verzorgde ook de uitgave van de brochure Joden in Leiden van B.V. Voskuil (Leiden 1994). De Stichting Vrienden van de Leidse Synagoge gaf in 2002 een brochure uit over De joodse begraafplaats in Katwijk aan den Rijn. (Alle drie de publicaties verkrijgbaar in  de synagoge.)

 

 

 

Toelichting op de lijst van vermoorde joden uit Leiden en omgeving

 

In de navolgende lijst zijn de volledige naam, geboortedatum en -plaats en overlijdensdatum en -plaats opgenomen van alle joden uit Leiden en omgeving die in Duitse kampen om het leven zijn gebracht. Het betreft joden die tussen 1 januari 1942 en 17 maart 1943 op het grondgebied van de Joodse Gemeente Leiden hebben gewoond.

Basis voor deze lijst zijn geweest de opgaven die de burgemeesters van de gemeenten behorend tot de Joodse Gemeente Leiden rond 1 mei 1942 deden aan de Zentralstelle für jüdische Auswanderung in Amsterdam van de op dat moment in hun gemeente woonachtige joden. Alle burgemeesters van Zuid-Holland hadden daartoe een schrijven, gedateerd 28 april 1942, ontvangen van de Kommissar für die Provinz Süd-Holland. Van de meeste gemeenten zijn de opgaven bewaard gebleven en op microfilm te raadplegen op het Nederlands Instuut voor Oorlogsdocumentatie in Amsterdam.

Van de veertien tot de Joodse Gemeente Leiden behorende burgerlijke gemeenten ontbreken de opgaven van Valkenburg, Katwijk, Voorhout, Noordwijkerhout en Lisse. In Valkenburg woonde in die tijd tenminste één gemengd gehuwde jood, in Katwijk een gezin met op dat moment twee kinderen. Voorhout, Noordwijkerhout en Lisse hadden in 1942 naar alle waarschijnlijkheid geen joodse ingezetenen

Op de opgave van de gemeente Leiden komen 357 namen voor; op die van acht omliggende gemeenten bij elkaar 101 namen. Valkenburg en Katwijk telden samen dus drie joodse inwoners. Dit geeft een totaal van 461 joden op het grondgebied van de Joodse Gemeente Leiden.

Bij dit totaal moeten geteld worden de personen van wie zeker is dat zij tussen 1 januari 1942 en 17 maart 1943 in Leiden en omgeving hebben gewoond, maar die ontbreken in de opgaven van de gemeenten. Hoewel deze gegevens alleen voor Leiden gedeeltelijk bekend zijn, kan het hier niet om veel mensen gaan: er werd vanaf januari 1942 zelden of nooit toestemming gegeven om te verhuizen anders dan naar Amsterdam. De Leidse gegevens zijn ontleend aan het niet gepubliceerde werk van W.F. van Zegveld, ‘De Joden van Leiden’, vier manuscriptdelen uit 1993, uit de in februari 1943 door de Leidse politie opgestelde lijst van toen volgens het bevolkingsregister in Leiden woonachtige joden en uit één enkel bewaard gebleven document van het weeshuis, eveneens uit februari 1943. Uit deze bronnen blijkt dat tenminste drie personen in deze periode in Leiden buiten het weeshuis hebben gewoond, en in het weeshuis 24 kinderen, van wie één vóór eind april 1942 vertrokken was en de overigen vanaf half juli 1942 in het huis waren opgenomen. Bovendien werden in de JoodseGemeente Leiden na 1 mei 1942 nog twee kinderen geboren: Menachem Philipson in oktober 1942, in Leiden, en Eleonora Belinfante in januari 1944, in Katwijk.

Met zekerheid kan dus gesteld worden dat er in de periode van 1 januari 1942 tot 17 maart 1943 tenminste 490 joden gewoond hebben op het grondgebied van de Joodse Gemeente. Het is onwaarschijnlijk dat dat er meer dan 500 zijn geweest.

 

Van deze tenminste 490 mensen zijn er zeker 270 vermoord: ruim 55%. Zij zijn allen in deze lijst opgenomen.

Voor de overlijdensdata en -plaatsen is in hoofdzaak gebruik gemaakt van het in 1995 verschenen In Memoriam, dat de namen vermeldt van de ruim 100.000 joodse oorlogsslachtoffers die tijdens de Tweede Wereldoorlog werden gedeporteerd en van wie geen graf bekend is. Deze gegevens zijn ontleend aan de gedenkboeken van de Oorlogsgravenstichting in Den Haag. Elk gespecialiseerd onderzoek toont aan dat de gegevens van In Memoriam een aantal lacunes en onjuistheden bevatten. Dat geldt ook voor het ten behoeve van de tentoonstelling verrichtte onderzoek. Van de 270 vermoorde Leidse joden ontbreekt Nathan Levie van Amerongen, op 26 maart 1943 met zijn vrouw in Sobibor om het leven gebracht, in In Memoriam. Bij Aleida Maria Goudsmit-Cohen, oudtante van de directrice van de Lakenhal, vermeldt het boek dat zij vermist werd. Ze komt echter voor op de transportlijst van 6 april 1943 (van een transport naar Sobibor). De meest merkwaardige vergissing van In Memoriam aangaande de joden van Leiden en omgeving betreft Eduard Maurits Meijers en zijn vrouw Tonij Meijers-Gottschalk. Ook zij worden als vermist opgegeven, terwijl professor Meijers reeds in juni 1945 in Leiden was teruggekeerd en nog tot 1950 hoogleraar bleef!

Veel ernstiger echter dan deze incidentele onjuistheden (we zien af van verkeerde geboortedata en -plaatsen) is het feit dat In Memoriam geen gebruik heeft kunnen maken van de zogenaamde Sterbebücher van Auschwitz. In hetzelfde jaar dat In Memoriam uitkwam, 1995, verscheen een drietalige uitgave van het Staatsmuseum van Auschwitz-Birkenau, Sterbebücher von Auschwitz. Het Rode Leger had bij de bevrijding van het kamp in januari 1945 beslag kunnen leggen op 46 dodenboeken, bijgehouden door de  burgerlijke stand van het kamp. Daarin waren van maar liefst bijna 69.000 gevangenen de officiële overlijdensakten opgenomen. (Direct bij aankomst vergasten werden niet in de kampregistratie opgenomen.) In februari 1991 kreeg de staf van het Staatsmuseum van Auschwitz-Birkenau voor het eerst inzage in deze documenten, die in een geheim KGB-archief bewaard werden. In 1991 en 1992 werden de dodenboeken overgedragen aan het museum. De gegevens eruit publiceerde het museum drie jaar later.

Vergelijking nu met de gegevens van In Memoriam legt een schrijnend verschil bloot. We mogen aannemen dat de officiële kampadministratie op de beruchte Duitse manier zeer nauwgezet te werk is gegaan; er is weinig reden te twijfelen aan de juistheid van de opgegeven overlijdensdatum (hoewel natuurlijk des te meer aan die van de doodsoorzaak, die altijd gefingeerd was). En kleine steekproef, van de eerste honderd Nederlanders in de Sterbebùcher von Auschwitz, laat zien dat In Memoriam maar liefst 69 maal een onjuiste overlijdensdatum geeft (waarvan 63 maal het verschil meer dan een dag bedraagt, tot vele maanden toe), slechts 22 maal een juiste, en dat negen personen in In Memoriam ontbreken. Dit zeer opvallende verschil is verklaarbaar uit de gebrekkige informatie die de Oorlogsgravenstichting kort na de oorlog ten dienst stond. Aanvechtbaar is echter de keuze die de stichting gemaakt heeft om, wanneer een overlijdensdatum niet vaststond, zeer vaak de laatste dag van de maand op te geven waarin de persoon volgens hun informatie op zijn laatst in leven kon zijn geweest. De door het Staatsmuseum van Auschwitz-Birkenau gepubliceerde gegevens tonen aan dat men er beter aan had gedaan – zoals gebruikelijk in andere landen – om zeggen dat de overlijdensdatum niet bekend was. Velen blijken namelijk na de opgegeven datum nog in leven te zijn geweest. En de keuze van de Oorlogsgravenstichting om met een asterisk ‘onzekere’ overlijdensdata en -plaatsen aan te merken, geeft de illusie dat de andere overlijdensdata en -plaatsen wél zeker zijn – wat dus niet het geval is. Men had op zijn minst melding moeten maken van de gevolgde werkwijze.

Aangezien het grootste deel van de Leidse joden niet in Auschwitz, maar in Sobibor om het leven is gekomen, zijn het aantal verschillen tussen navolgende lijst en In Memoriam  niet zeer groot. Hieronder volgen de gegevens van de Leidse joden die in de Sterbebücher von Auschwitz voorkomen.

 

Gustaaf Adolf Barnstijn, gestorven 28.7.1942 (volgens In Memoriam op dezelfde dag)

Mozes Bierschenk, gestorven 6.1.1943 (als vorige)

Alexander Fontijn, gestorven 25.9.1942 (als vorige)

Samuel Messcher, gestorven 9.10.1942 (volgens In Memoriam 31.1.1943)

Charles Thors, gestorven 1.10.1942 (volgens In Memoriam 30.9.1942)

Machiel de Vries, gestorven 1.10.1942 (als vorige)

Simon van Hoorn, gestorven 17.9.1942 (als vorige)

Jacob van Hoorn, gestorven 1.9.1942 (als vorige)

Mannes Tromp, gestorven 22.10.1942 (als vorige)

 

Ook de overlijdensdata van Louis van Tijn en Salomon Levie Montezinos zijn aantoonbaar onjuist. Beiden zijn volgens In Memoriam op 30 november 1943 omgekomen in Dorohusk, een nevenkamp van Sobibor. Dit kamp werd echter reeds op 4 november 1943 geliquideerd; alle nog in leven zijnde gevangenen werden toen om het leven gebracht.