8. Westerbork

Terug naar het overzicht

8. Westerbork

De kinderen en hun begeleiders moesten op het station nog uren wachten in een stilstaande trein, voordat deze naar doorgangskamp Westerbork vertrok. Voor de deur van de wagons stonden bewakers. Lotte probeerde de kleintjes gerust te stellen en zong liedjes voor hen. Ze krabbelde iets op een briefje en gooide het uit het raam.

Hans en de andere jongens dachten aan het zakmes in hun broekzak en gingen kijken wat er in hun rugzak zat. De (Nederlandse) bewakers vertelden dat hen in Westerbork alles zou worden afgenomen, en dat ze hun kostbare spullen maar aan hen moesten geven.  Dan zouden zij wel zorgen dat het in de handen kwam van de “ondergrondse” Een paar kinderen vielen voor die leugens en gaven de politie hun geld en waardevolle artikelen. Ik was niet zo stom en hield alles bij mij. Mijn gedachte was, als ze alles afpakken laten ze het dan maar in het kamp doen. Bij de moffen maar niet bij die rotzakken die de vijand hielpen.

Etty had een ansichtkaart met postzegel in haar rugzakje en een dik potlood en gum. Ze schreef er een boodschap op voor haar ouders en zusje Haarlem. De eerste keer ging het niet goed, die gumde ze uit.
Wij zijn weg.
We zijn woensdagavond om 9 uur weg gehaald. Nu zit ik in de trein. Wij zijn bijna bij Westerborg. Dag allemaal een benden kusjes van je Etty. 

Collectie Herinneringscentrum Westerbork

 

De reis duurde meer dan twee en een half uur. Het werd stil en koud in de trein. We kropen bij elkaar en als je het kon viel je in slaap. Ik zie nog Pieter de Vries en Fanny Gunsberg bij elkaar zitten, die waren stapel verliefd. Ikzelf kroop bij Mieke Dagloonder voor de rest van de reis.

De volgende morgen, toen we opstonden was het erg vreemd dat er geen ontbijt was. Gelukkig hadden we allemaal een noodrantsoen bij ons. Daar had het weeshuispersoneel voor gezorgd en het zat in je rugzak. Meneer Italie probeerde het nog zo gezellig mogelijk te maken. Tafels werden zo goed als het kon klaargemaakt. We haalden allemaal onze eigen vork, mes en lepel, een bord en een beker uit onze rugzak. Meneer Italie vroeg aan ons (jongens) of we onze gebedssjaal (Talles) en gebedenriem (Tefillien) en boeken (Tefille) bij ons hadden. Tot zijn grote verbazing was ik de enige jongen die het had meegenomen. We hadden wel allemaal een keppeltje (Joods hoofddeksel) bij ons, zodat we toch ons ochtendgebed konden houden.

 


lees verder:

9. Leiden
10. Als laatste over
11. 1945 en verder

Dankwoord
Bronnen
Noten

 

Ga terug naar het overzicht van Machseh Lajesoumim: het verhaal