2. Veilig en geborgen

Terug naar het overzicht

2. Veilig en geborgen

Natuurlijk is het opgroeien in een weeshuis niet de ideale situatie voor een kind, gescheiden van de ouders, en zonder de individuele aandacht van een hecht gezin. Maar als het thuis niet meer gaat, kan het toch de beste optie zijn.
De directeur van het nieuwe wees- en doorgangshuis, de heer Italie, deed erg zijn best om de naam van het huis eer aan te doen. Machseh Lajesoemin: toevlucht voor het kind (letterlijk: ‘schuilplaats voor wezen’). Eerst samen met zijn vrouw Sara Schaap, en vanaf 1932 met zijn tweede vrouw Lies Cohen, voerde hij in pedagogisch opzicht een vernieuwend en vooruitstrevend beleid uit. In tegenstelling tot andere weeshuizen droegen de joodse weeskinderen in Leiden al sinds 1919 geen uniformen meer, en leefden jongens en meisjes door elkaar. Er was in het nieuwe weeshuis in de Roodenburgerstraat veel ruimte om te spelen, zowel binnen als buiten. De sfeer in het huis werd huiselijk gehouden, zodat het aanvoelde als één groot gezin. Ook heel vernieuwend was de aandacht voor persoonlijk bezit en de persoonlijke levenssfeer. De kinderen kregen een beetje zakgeld, dat ze zelfstandig mochten besteden, en ze hadden ieder een eigen kastje. Elke zondag mocht familie op bezoek komen. Zomers werden er uitjes naar Katwijk georganiseerd, en voor de jongeren werd er een joodse jeugdvereniging opgericht. In dat alles kwam de joodse identiteit tot uiting, die het hele bestaan in het weeshuis doordrong.
De educatie over het joods zijn, het in ere houden van joodse rituelen en gebruiken en het van harte vieren van de joodse feestdagen vormden de kern van die identiteit, die onlosmakelijk verbonden was met het dagelijks leven. Wie je bent bepaalt wat je doet, en wat je doet wie je bent.

Nathan en Sara Italie ontvingen als een van de eerste bewoners in december 1929 de kleine Hans Kloosterman uit Amsterdam, van 2,5 jaar oud. Zijn alleenstaande moeder was nog heel jong en kon niet meer voor hem zorgen. Het eerste, dat Hans zich herinnert is dat hij bij een juffrouw op schoot zat aan een zeskantige tafel. De bovenkant van de tafel was lichtblauw, glad en glanzend. De tafelrand was van licht hout ‘en zo was de grote poot, die daar bij hoorde‘. Iedere ochtend werd hij door de kinderjuffrouw uit bed gehaald, zodra de schoolkinderen naar school waren. Na het ontbijt, met een gebedje voor en na en een tweede portie pap voor wie wilde, gingen ze naar de speelzaal. ‘Dat was iets geweldigs. We verveelden ons nooit‘. Er was volop speelgoed. De kinderjuffrouw leerde hen liedjes en op dinsdagmiddag luisterden ze naar de liedjes op de radio van Jacob Hamel (AVRO). Ze zongen enthousiast mee met ‘Jarig Jetje tracteerde ulevellen op school’ en ‘In een groen groen knollenland’. Op andere middagen luisterden ze aandachtig naar de kinderverhaaltjes van jufrouw Antoinette op de radio.
De kinderjuffrouwen leerden hen al wat letters en tellen en ook al een beetje Hebreeuws en bijbelse verhalen. Met melk een koekje en een slaapje was de dag dan zo om. Als het mooi weer was speelden ze buiten. Er waren driewielers (fietsjes) autopeds, schommels, wippen en natuurlijk een zandbak.

Speelzaal, met grote pluchen olifant

 

Veel kinderen hadden nog wel een van beide ouders, en waren in het weeshuis geplaatst omdat de thuissituatie erg zorgelijk was. Zo ook de broertjes en zusjes Beem, uit Rotterdam. Hun moeder was opgenomen in de psychiatrische inrichting het Apeldoornse Bosch. Mien (11), Juultje (9), David (7) en Jopie (3) kwamen in september 1929 en werden ieder zondag trouw bezocht door hun vader.

Mien en Juultje en twee andere meisjes lazen met Juffrouw Klein tijdens het joodse lesuurtje joodse jeugdkrant Betsalel, een wekelijkse uitgave onder hoofdredactie van rabbijn dr. M. de Hond. Toen het nummer van 31 juli 1930 binnen was, konden ze niet wachten om eraan te beginnen, want ze hadden briefjes aan de rabbijn geschreven en het antwoord op de puzzel ingestuurd. Al snel vonden ze zichzelf terug, in ‘de correspondentie’:
Mientje Beem, Leiden. Naar de zesde klas en met een mooi rapport. Voor gedrag, vlijt en netheid 8. Geen wonder, dat mevrouw erg tevreden was. Twaalf jaar en dan naar de zesde klas!
Juultje Beem, zus van Mientje. Die is tien jaar en naar de vijfde klas gegaan. Wat zeggen jullie van zulke Beempjes? Natuurlijk waren meneer en mevrouw ook over haar tevreden. Ze heeft twee vriendinnetjes, Esje en Esther. Die Esje zal ook wel een Esther zijn. Dat broertje David belooft ook wat. Die zei: ‘Hond moet met een d, je zegt toch niet ‘honten’, maar honden’. Ze zal mij om de twee weeken schrijven. Weeken met twee ee’s duren me te lang. Die de fouten uit je briefje heeft gehaald (heb ik dat goed gezien?) had ook deze weeken een beetje korter moeten maken.
Esther Appel, Leiden. Welkom met je eerste briefje op licht lila papier, waarop twee neefjes op divan, van welke die met roode robe een spiegel voorhoudt aan die met blauwe robe, om haar blauw mutsje goedgemutst op te zetten. Deze Es is 12 jaar en zit al in de vierde klas. Haar broertje, die in Utrecht is, moet ik ook kennen. Die heet Sam. Klopt, ken ik. Mevrouw en meneer Italie vinden haar rapport mooi. Dus ik ook. Ze lag in het ziekenhuis, daarom is ze pas in de vierde klas. Och, dat pientere meisje, dat zóó mooi en zóó foutloos schrijft en zóó goed raadsels oplost, zal haar schade heel makkelijk en gauw inhalen. De groeten aan mijn vrouw en kinderen heb ik afgeleverd. Van ons allen nu de groeten aan meneer en mevrouw en de dames en de kinderen. Ik moet veel meer van je horen, Esther!
Esje van Santen, Leiden. Drie ganzenhoedsters met hoedjes op en twee ganzen. En onder dat bonte prentje Esjes mededeeling, dat zij nog geen halve dag mocht vasten, maar de grote jongens wel een hele dag. En die hebben ’t goed volgehouden. Maar jij komt vast ook aan de beurt met vasten, daar kun je vast op gaan. Ze heeft een vriendinnetje dat ook Esther heet. Dat is natuurlijk Esther Appel, die 22 mei 12 jaar geworden is. Onze Es is naar de vijfde klas gegaan. Ze hoopt 8 augustus naar Amsterdam te gaan en mij te bezoeken. Jammer, echt jammer Es, want dan ben ik met de reisclub van Groot’Betsalel en mijn heel gezin naar Nunspeet. Groeten van ons allen aan jullie allen daar, groten en kleinen!
Snel bladerden ze door naar de oplossingen van het kleuterraadsel, waarvoor ze woorden uit het Hebreeuws hadden moeten vertalen. Alle vier hadden ze alles goed. En Juultje had het kinderboek gewonnen! Als afsluiting las juffrouw Klein hen het vervolgverhaal van Clara Asscher-Pinkhof voor over ‘Rozijntje’. Dit keer had Rozijntje een fluit te pakken gekregen en daar ‘met een duidelijk herkenbare ‘sjier hamanglous’iii uit getoverd’. ..

Op 7 december 1932 overleed de ‘weeshuismoeder’, Sara Italie-Schaap. Voor de kinderen, die al jong persoonlijke verliezen hadden moeten verwerken, moet dit een dramatische gebeurtenis geweest zijn. De heer Italie hertrouwde na twee jaar met Elizabeth Cohen, die conservator was in het museum van Oudheden (collectie numismatica). Met haar kreeg hij twee eigen kinderen: Hanna (1935) en Elchanan (1937). Toen ze trouwde werd Elizabeth officieel de directrice van het weeshuis.

 

lees verder:

3. Hans zijn thuis
4. Oorlogsdreiging, 1938 – 1940
5. 1941: Voor Joden verboden
6. 1942 Geïsoleerd en vernederd
7. 1943 Ontruiming
8. Westerbork
9. Leiden
10. Als laatste over
11. 1945 en verder

Dankwoord
Bronnen
Noten

 

Ga terug naar het overzicht van Machseh Lajesoumim: het verhaal