11. 1945 en verder

Terug naar het overzicht

11. 1945 en verder

Op 19 juli 1945 is Didia is terug in Nederland, en verblijft ze in een repartieringskamp in Eelde. In regelmatig en duidelijk handschrift neemt ze contact op met ene juffrouw Burgerhout uit Leiden, die ze eigenlijk nauwelijks kent.

Als u dit leest, zult u natuurlijk niet weten, wie de persoon is die u dit schrijft.
Ik wil me dan ook eerst voorstellen. Didia Klein, misschien herinnert u zich mij nog. Ik ben bij mevrouw Blitz van de Zoeterwoudse Singel in de leer geweest, zoals men dat dan, met een fatsoenlijk Hollands woord uitdrukt.
Ik heb 2,5 jaar in het concentratiekamp gezetenen kan heel wat staaltjes vertellen over die smeerlappen die nu misschien in de zon liggen te bakken. Maar dat doe ik liever mondeling. Hoe is het met de andere mensen uit Leiden? Zijn er al terug gekomen? Ik heb zo’n idee dat ik zowat de enige overlevende ben van de mensen die weggehaald zijn.
Voor de familie Blitz heb ik niet veel hoop, ik denk wel dat men die meteen het gas ingestopt heeft. U zult wel denken, wat schrijft ze dat alles bruusk, maar daar moet u zich maar niets van aantrekken.
‘…’ Schrijft u mij alles uitvoering terug, indien U mij terug wilt schrijven, wat ik natuurlijk van ganser harte hoop.
Juffrouw Burgerhout, Weet U dat U nog enkele dingen van mij heeft, ik hoop; dat u zo lief bent geweest dat allemaal voor mij te bewaren.
En hoe is dat, met al die goederen van het weeshuis. Zou ik, denkt u, wel aanspraak kunnen maken op wat kleren e.d. Daar dat mij beloofd geworden is, dat ik dit en dat zou krijgen als ik ooit eens terug mocht komen.
‘…..’
Mocht er nog eens een auto gaan, zou ik graag willen komen, maar ja, dan zit je ook weer met onderdak.
Ik denk wel, ik mag wel zeggen ik weet haast wel zeker, dat ik bij U terecht zou kunnen komen, maar ja, dat zou natuurlijk eerst afgesproken moeten worden. U zult mij wel heel erg vrijpostig vinden, dat ik u zo schrijf, maar we zijn een beetje bruusk geworden in het Lager.
Bericht u alle bekenden dat ik terug ben gekomen ‘…..’
Vergeet u niet naar iedereen te informeren die voor mij van enig belang zou kunnen zijn’…’

Bram, die erachter komt dat zijn moeder, half-broers en zusjes zijn vermoord in Sobibor, en Hans, die ontdekt dat zijn moeder in 1942 is vermoord in Auschwitz, emigreren in de jaren ’50 naar Australië.

In 1949 bezoeken meneer en mevrouw Stoffels een familie in Israel die zij in de oorlog aan een onderduikadres hebben geholpen. In mei 1968 gaan zij nog een keer, dit maal om een Yad Vashem onderscheiding te ontvangen voor het redden van verschillende joodse families.

Het gebouw op de Roodenburgerstraat 1 krijgt na de oorlog verschillende nieuwe functies. Er worden onder andere noodlokalen van een openbare school gevestigd, en joodse ontheemden opgevangen. Maar met het verhaal van ‘Machseh Lajesoumim’ gebeurt 30 jaar lang niets.

Meneer en mevrouw Stoffels planten een boom bij Yad Vashem, mei 1968, foto-album familie Stoffels

In 1973 geeft een verzetsstrijder en voormalig bewoner van de nabijgelegen Thorbeckestraat een journalistiek bureau de opdracht om uit te zoeken wat er in de oorlog met de bewoners is gebeurd. De journalisten, Martin Uitvlugt en Gerard Kerkvliet, kunnen van de direct betrokken alleen Pieter de Vries en de heer Stoffels vinden. Daarnaast interviewen ze een regent die ondergedoken was: meneer Levisson, en nog wat anderen, zoals de vrouw van de enige politiecommissaris die dienst weigerde op de dag van de ontruiming. De heer Stoffels en Pieter de Vries leggen tegenstrijdige verklaringen af. Pieter de Vries, die door de journalisten geconfronteerd wordt met het feit dat de heer Stoffels veel onderduikadressen heeft aangeboden en nog tot de avond voor de ontruiming er bij meneer Italie op heeft aangedrongen er gebruik van te maken, moet een antwoord formuleren op de vraag waarom hij zich heeft laten deporteren. We waren niet rijp gemaakt voor verzet, zegt Pieter. We waren zo onbezorgd. Zelfs wij, achttien jaar oud, leefden nog als kinderen. Onmondig, ieder dag gelukkig.’
Het idee van Bram, de jongen die zelf in actie gekomen was en zo zijn eigen leven had gered, wordt ‘een niet zo bijster slimme truc’ genoemd.
Het artikel wordt in 1974 gepubliceerd in Studia Rosenthaliana Vol 3/2.

Een jaar later overlijdt meneer Stoffels.

In 1988 verschijnt in het Leids Jaarboekje een herziene versie van het artikel, getiteld ‘Een pot piccalilly voor Westerbork’. Nu komt de aandacht voor het verhaal pas goed op gang. Er verschijnt een reeks artikelen in lokale kranten, die zich vooral concentreren rond één vraag: waarom de weeshuisdirecteur de kansen die hem waren geboden niet heeft gegrepen.
Een neef van dhr Stoffels zegt in het Leidsch Dagblad van 14 maart 2003: ‘Mijn oom heeft de avond tevoren gewaarschuwd, maar ja, de directeur wilde het niet. Die wilde zijn kinderen bij elkaar houden, hè. Dàt was het drama.’

 Uit nader onderzoek (door historicus Elias van der Plicht) blijkt, dat in tegenstelling tot wat eerder werd aangenomen, er bij de ontruiming geen Duitse politieagenten waren betrokken, maar dat de actie in zijn geheel door de Leidse politie is uitgevoerd. De politie hoefde na de oorlog geen verantwoording af te leggen over het feit dat zij de bevelen van de bezetter met ontluisterende precisie ten uitvoer had gebracht.

De aandacht voor het verhaal maakt ook persoonlijke herinneringen los.
Lotte’s vriendin Mien schrijft in 2003 een ode aan Lotte in de vorm van kinderboekje, waarin ze zich op een ontroerende manier inleeft haar oude schoolvriendin. Ze herinnert zich dat Lotte wist dat haar vader door de nazi’s was vermoord en zich realiseerde dat deportatie haar einde zou betekenen. Jopie Vos vertelt aan de journalisten Uitvlugt en Kerkvliet dat zij Lotte, op de avond dat zij haar foto-album en pianoboek bij haar achter liet, een onderduikadres heeft aangeboden. Lotte vroeg of er ook een plek was voor haar zusje Hennie. Toen dat niet het geval bleek heeft ze het aanbod vriendelijk afgeslagen. Jopie bewaart een briefje van Lotte, dat ze waarschijnlijk uit de trein naar Westerbork heeft gegooid, terwijl ze de kleuters op hun gemak probeerde te stellen. ‘Ik zing, terwijl het binnen in mij huilt’.

Het dienblad dat Jopie Beem voor juffrouw Gebert maakte duikt op, en wordt in 1990 overgedragen aan het Joods Historisch Museum in Amsterdam.

Haar adoptiezusje Inge schenkt kaartjes van Etty en van haar moeder aan herinneringscentrum Westerbork. Het briefje van Etty’s moeder is retour gestuurd, omdat Etty drie dagen eerder, in een veewagon waar ze niemand kende, gedeporteerd was naar Sobibor. Daar is ze direct na aankomst in de gaskamer vermoord.

Mijn lieve, lieve schat! Je briefjes heb ik nu alle beide ontvangen. Wat naar, dat je ziek was, klein ding! Hoe lang was je wel ziek? Je denkt er wel om, dat je heusch niet aan dat water komt, hè?
Want als dat niet goed is, kun je vreeslijk ziek worden, hoor. Ik heb nu weer 2 pakjes gestuurd. Deze week gaat nog een weg met tomatensap, en postpapier, en ook een stukje zeep. Daar moet je natuurlijk heel zuinig mee zijn, niet op drukken, anders is ze zoo op! Etteke, schrijf eens alles op wat je aan kleeren hebt, hemden, kousen, jurken en al, en stuur mij die lijst dan. En houd voor jezelf ook een, dan kun je geregeld zien of je ook alles hebt.’ ‘ Dag flinke kleine meid Bende kusjes
van Mamma, P en I. (Inge)
Op het randje van het papier staat nog op zijn kop: Inge (die blijkbaar binnenkort jarig zou zijn) krijgt een cadeau van jou, hoor. Je krijgt een foto van Inge.

 Een schoolvriendinnetje van Fanny komt aan met haar versje in een poëziealbum, dat nu als waardevol bezit wordt gekoesterd.

Op 2 mei 1989 wordt een koperen plaquette van Frans de Wit onthuld, die het toegangspad voor het voormalige weeshuis is geplaatst. Er staan afdrukken van kinderhanden op, en een gedicht van Ruter Kopland:

Weggaan kun je beschrijven als
een soort van blijven, niemand
wacht want je bent er nog.

Niemand neemt afscheid
want je gaat niet weg.

Het Erasmus College uit Zoetermeer adopteert dit monument en een aardrijkskundeleraar (Jaap Focke) organiseert er jaarlijks, op 17 maart, een herdenking voor zijn klas.

Leonard Kasteleyn, die ook de publicatie ‘Vervolging en bescherming, joden in Leiden 1933-1945’ verzorgde voor de gelijknamige tentoonstelling in Stedelijk Museum de Lakenhal (2003), start een uitgebreid onderzoek naar het weeshuis en haar bewoners.

Hans Kloosterman stuurt hem zes uitgebreide brieven over zijn eigen ervaringen in het weeshuis. Hij begint zijn brieven met de mededeling : ‘De kinderen in het Weeshuis waren mijn broers en zusters, die ik als zodanig behandelde. Ik hoop, dat je deze situatie kunt voorstellen. ‘….’Dit was en is nog steeds de fijnste tijd, die ik herinner.‘ De brieven eindigen met zinnen als: ‘Je ziet Leonard, we waren erg goed verzorgd. Je kon het niet beter hebben’. ‘Je ziet, Leonard, het was een erg goed leven in het Weeshuis.’

Op 17 maart 2010 wordt er een stenen koffer op de stoep voor het weeshuis geplaatst. Deze koffer is een onderdeel van het monument ‘Bagage’ van Ram Katzir.

Tijdens een van de jaarlijkse herdenkingen wordt het foto-album van de heer Italie aan de organisatie overhandigd, door een familielid van meneer Stoffels.

Een familielid van de kinderen Beem schrijft tekstjes met herinneringen op het digitale Joods Monument. De oudste, David, is tijdens een poging om via de Westerweelgroep (een samenwerking tussen joodse en niet-joodse verzetsmensen) naar Frankrijk te vluchten, gepakt door de nazi’s. Twee andere jongens die vanuit het weeshuis in een kibboets/palestima-farm waren geplaatst, is het wel gelukt om op deze manier weg te komen.

Pieter brengt het fotootje van Fanny dat hij al zestig jaar in zijn portemonnaie bewaart naar fotograaf Frans Hoek, die aan een website werkt over de geschiedenis van het Joodse Weeshuis.

Maart 2020. Een neef van de eerste vrouw van Nathan Italie stuurt mij een filmpje dat zijn vader, Maurits Schaap, heeft gemaakt van het Weeshuis, vermoedelijk in 1939. Ik herken meteen een aantal kinderen van de foto’s, zoals Henny Adler.

De zij-ingang gaat open. De kinderjuffrouw die naar buiten komt schrikt, als ze merkt dat er iemand staat te filmen. Maar zodra ze de man achter de camera herkent gaat haar schrik over in gelach. Een paar beelden verder kijkt Nathan Italie van achter het raam geamuseerd toe hoe de kinderen aan het spelen zijn. Achter het huis paraderen jongens met een houten geweer over hun schouder in drie strakke rijen over de speelplaats. De tweeling Melna en Louis drentelt onbekommerd tussen de benen van de jongens door. Dit laatste beeld, van kinderen die onbekommerd zichzelf mogen zijn in een wereld vol haat en massahysterie, vat wat mij betreft alles samen. Ik besef dat de jongens iets uitspelen dat hun eigen ondergang inluidt.

 

lees verder: 

Dankwoord
Bronnen
Noten

 

Ga terug naar het overzicht van Machseh Lajesoumim: het verhaal