Rijnsburgerweg 116 – Benjamin en Herman Meijer en Leentje Slier

Stolpersteine
volgende stenen

Inhoud van deze pagina:

 

Plaatsing Stolpersteine 11 januari 2023

Op 11 januari 2023 werden drie Stolpersteine geplaatst bij Rijnsburgerweg 116 voor:

Benjamin Meijer, geboren op 2 april 1921 te Leiden, gedeporteerd uit Westerbork op 8 juni 1943 naar Sobibór, vermoord op 11 juni 1943 te Sobibór.

Herman Meijer, geboren op 21 april 1924 te Leiden, ondergedoken in 1942, bezweken op 17 maart 1944 te Warmond.

Leentje Slier, geboren op 18 september 1926 te Rotterdam, gedeporteerd uit Westerbork op 20 april 1943 naar Sobibór, vermoord op 23 april 1943 te Sobibór.

 

 

Benjamin en Herman Meijer op een foto uit hun jeugd.

Leentje Slier

 

Toespraak gehouden bij de plaatsing van de stenen voor Benjamin en Herman door Rob Heijmans

Wij staan voor het huis van de Familie Meijer. Vader Jo Meijer, moeder Greta Meijer-Wolf en 3 zoons, Benjamin geboren 1921, Herman 1924 en Henri 1931 hebben hier gewoond.

Moeder Greta is in augustus 1942 aan kanker overleden. Toen de toestand daarna voor de Nederlandse Joden steeds meer precair werd, besloot Jo Meijer tot onderduiken voor hem zelf en zijn 3 zoons. Hij zelf en zijn jongste zoon Henri overleefden de oorlog op deze wijze. Helaas was dat niet weggelegd voor de twee oudste zoons, Benjamin en Herman.

Nu, meer dan 75 jaar na de oorlog, zijn er geen mensen meer die de beide jongens goed gekend hebben en ons over hen zouden kunnen vertellen.

Mijn naam is Rob Heijmans en ik heb Benjamin noch Herman Meijer gekend. En ik ben ook geen familie van de jongens.
Wie/wat ben ik dan wel, welke relatie heb ik met ze dat ik hier deze woorden uitspreek?

Hun vader, Jo Meijer, die in 1942 weduwnaar werd toen zijn vrouw Greta overleed, hertrouwde in 1945 met mijn moeder, Rozette de Vries, die in 1941 weduwe was geworden nadat haar man na deportatie in Mauthausen was vermoord. Hadden Benjamin en Herman de oorlog overleefd, dan waren wij dus stiefbroers geweest. Stiefbroer Henri, en stiefvader Jo hebben in de jaren dat wij als familie leefden nooit over de twee broers gesproken. Na de oorlog werd in de gezinnen die zo veel hadden meegemaakt en veelal gedecimeerd werden nooit over de oorlog gesproken. En om deze reden kan ook ik u niets vertellen over Benjamin en Herman.

Uit diverse naoorlogse publicaties is gebleken dat Benjamin die in 1943 een poging deed om naar Engeland te vluchten verraden werd en opgepakt. Op 11 juni 1943 is hij in Sobibor 22 jaar oud, vermoord. Herman is 17 maart 1944 overleden doordat hij ondergedoken, geen adequate medische hulp kon krijgen.

Begin dit jaar werd al een groot namen monument in Amsterdam geplaatst, met 102.000 namen, waarop ook de beide broers worden herdacht.
Echter, ik citeer de NRC, “een Stolpersteen herdenkt individuen, en is niet voor groepen, als tegenwicht tegen massavernietiglng “.

In de Talmoed, mondelinge doorgegeven leer, wordt gezegd:… “een mens is pas vergeten als zijn naam vergeten is”.

En daarom plaatsen wij hier nu een Stolpersteen voor Benjamin Meijer en een voor Herman Meijer aan de Rijnsburgerweg 116 in Leiden, waar beide broers het laatst hebben gewoond.

Toespraak gehouden bij de plaatsing van de steen voor Leentje door Arnold Schalks

Mede namens de aanwezige familieleden Koos, Kitty, Sylvia en Zenja noem ik hier de naam van Leentje Slier.

Leentje werd op 18 september 1926 in Rotterdam geboren. Ze was het negende kind van Willem Slier, die als los-werkman in de Rotterdamse haven werkte, en Dina van der Maas, huisvrouw. Leentje was amper vier jaar oud, toen moeder Dina overleed. Leentjes vader werd weduwnaar in een tijd met een uiterst somber toekomstperspectief. Leentje en haar nog thuiswonende oudere broers en jongste zusje moesten bijspringen om het gezinsleven draaiend te houden. Eind 1934 deed vader Willem Slier een eerste beroep op steun van het Maatschappelijk Hulpbetoon.

Leentje zat in de zesde klas van de lagere school toen de Luftwaffe op dinsdagmiddag 14 mei 1940 de binnenstad van Rotterdam in de as legde. Leentjes ouderlijk huis aan de Eerste Diergaardestraat lag tijdens de bommenregen nét binnen de brandgrens. Die dag maakte een desastreus kwartiertje het gezin Slier berooid en dakloos. Willem bracht de brokstukken van zijn gezin tijdelijk onder bij zijn oudste dochters, die allen gemengd gehuwd waren en in een gespaard deel van Rotterdam woonden.

Er kwam weer lijn in Leentjes ontregelde leven toen ze eind oktober 1940 – ruim 5 maanden na het bombardement – naar het Levendaal 8 in Leiden verhuisde, om als dienstmeisje te gaan werken bij het joods-orthodoxe gezin van Emanuel Mendelson, de koster van de Leidse synagoge.

Het loon uit die dienstbetrekking zal ongetwijfeld een welkome aanvulling geweest zijn op de inkomsten van Willems gehavende gezin. Bovendien vormde huishoudelijk werk voor jonge meisjes zoals Leentje een praktische leerschool, die een degelijke opvoeding garandeerde en hen voorbereidde op hun toekomstige taak als huisvrouw.

Begin 1942 verhuisde Leentje binnen de stadsgrenzen van het Levendaal naar de Rijnsburgerweg 116, om in dienst te treden als hulp in de huishouding van het joodse gezin van Jo en Greta Meijer. Leentje was toen 15 jaar oud.

Leentje zal, net als Jo, Benjamin en Herman Meijer, in de loop van 1942 zijn ondergedoken. Haar naam dook op op een archiefkaart die vermeldt, dat ze op 7 december 1942 was ondergedoken in Amsterdam op de Houtmarkt 18 hs bij Akiba Frank, godsdienstleraar aan de Amsterdamse synagoge. Akiba en Leentje werden daar op 13 april 1943 opgepakt en een week later via Westerbork op transport gezet naar het Oosten.

Op vrijdag 23 april 1943 kwam aan Leentjes korte, stuurloze leven een eind in Sobibór. Leentje werd 16 jaar oud.

 

Biografie Benjamin en Herman Meijer, opgesteld door Arnold Schalks

Op 23 juni 1920 trouwde de Oost-Groningse veehandelaar Jozef (Jo) Meijer in Onstwedde met Greta (Grietje) Wolf uit Stadskanaal. Op 3 juli 1920 liet Jozef zich op de Apothekersdijk 24 in Leiden registreren. Hij liet Greta naar Leiden overkomen om zich met haar op de Rijnsburgerweg 39 te vestigen. Jozef en Greta kregen drie zonen, die allen te Leiden werden geboren: Benjamin op ‎2 april 1921, Herman op 21 april 1924. Op 17 januari 1931 verhuisde het gezin naar de Rijnsburgerweg 116, waar Henri Meijer op 3 februari 1931 geboren werd.

Benjamin en Herman Meijer op een jeugdfoto

In de zomer van 1942 besloot Jozef, onder de toenemende druk van de anti-Joodse repressie, met Benjamin en Herman onder te duiken. Ze wisselden geregeld van onderduikadres bij familie en kennissen in Leiden en – Jozef moet als veehandelaar een uitgebreid netwerk hebben gehad – bij bevriende boeren in de omtrek. 

Greta is nooit ondergedoken. Haar moeder Jettchen Wolf-Blumenkrohn deed dat wel, mogelijk op de Leidse Herengracht nummer 11 bij de postbode Anton Immink, die tijdens de bezetting tientallen Joden verborg en redde. 

Henri werd verstopt bij een boer in de Haarlemmermeer. In de onderduik kreeg Henri de naam Henk, een naam die hij tot het einde van zijn leven heeft gehouden. 

Op ‎29 augustus 1942 overleed Greta Meijer-Wolf, 42 jaar oud, aan kanker. Ze werd begraven op de Israëlitische begraafplaats van Leiden in Katwijk aan de Rijn. 

Benjamins laatst bekende adres was Spieringweg 909, Haarlemmermeer. Op 10 september 1942 werd hij, bij een kennelijk verraden poging om naar Engeland te vluchten, in Katwijk opgepakt en diezelfde avond nog in Scheveningen gevangen gezet. In de rechter bovenhoek van Benjamins Joodse Raad-kaart uit het Arolsenarchief is met rood potlood een ‘V’ geschreven, de afkorting voor Kamp Vught/Konzentrationslager Herzogenbusch. Waarschijnlijk werd Benjamin daar tot 7 juni 1943 – de datum van zijn aankomst in Westerbork – gedetineerd. Op 8 juni 1943 ging Benjamin op straftransport (aantekening: ‘S.Tr.’) naar Sobibór, waar hij drie dagen later werd vermoord. Benjamin werd 22 jaar oud.

Op 20 oktober 1942 werd de koopman P.H.J. Schlagwein, geboren te Leiden en wonende aan de Uiterstegracht 180, in kennelijke staat aangehouden. Omdat hij zich niet kon legitimeren werd hij in arrest gesteld. Schlagwein sputterde tegen en beweerde dat hij op 4 oktober al aangifte van vermissing van zijn persoonsbewijs had gedaan. Na twee dagen detentie zond de Documentatiedienst hem heen.  

Begin november 1942 gaf iemand een portefeuille met tabakskaart en een persoonsbewijs op Schlagwein’s naam af bij de afdeling Gevonden Voorwerpen van het Leidse Politiebureau. Na onderzoek constateerde rechercheur van der Plas van de Documentatiedienst dat het gevonden persoonsbewijs vals was. De aard van vervalsing werd niet vermeld; mogelijk was de pasfoto vervangen. Het was het persoonsbewijs dat Jozef Meijer gebruikte, totdat ook hij het verloor.

Op 7 december 1942 noteerde een Leids gemeenteambtenaar op de woningkaart van perceel Rijnsburgerweg 116 achter de namen Jozef Meijer en Jettchen Wolf-Blumenkrohn: ‘7-12-1942. V O W’ (Vertrokken Onbekend Waarheen).

Op 7 januari 1943 rapporteerde de politieagent Rempt dat hij op last van de Chef van Dienst met een man genaamd Hoogkamer naar de Rijnsburgerweg 116 was gestuurd. De woning werd door Hoogkamer en twee geëvacueerde mannen bezichtigd. Daarvoor moesten vier zegels worden verbroken. Toen Hoogkamer de serredeur aan de achterzijde van de woning opende, barstte de ruit op twee plaatsen. Het perceel werd na de bezichtiging door Rempt opnieuw verzegeld.

Vijftien dagen later, op vrijdag 22 januari 1943, meldde Ortsgruppenführer Becker om 20.45 uur telefonisch aan inspecteur van der Wal, dat de woning Rijnsburgerweg 116 niet langer verzegeld was en aan de achterzijde openstond. 

Om 21 uur stelde rechercheur de Groot in bijzijn van agent Lodema een onderzoek in. Het bleek, dat de achterdeuren van het perceel met geweld waren geopend, waarbij de zegels waren verbroken en een ruit van een van de deuren was vernield. De Groot achtte het niet uitgesloten dat iets uit de woning was weggenomen, maar kon dat zelf niet vaststellen. Hij sloot en verzegelde de deuren bij vertrek.

Op 14 mei 1943 werd het huis aan de Rijnsburgerweg 116 onteigend en op 31 mei 1945 via het door de NSB geleide Algemeen Nederlandse Beheer van Onroerende goederen (ANBO) verkocht. De koper, P. H. Westra, betaalde fl. 11.500 voor het huis.

[Jozef Meijer zou op 2 augustus 1945 het huis aan de Rijnsburgerweg via een advertentie in de Nieuwe Leidse Courant te koop aangeboden hebben. Ik kon die advertentie niet vinden. Wel vond ik een advertentie in diezelfde krant van 8 augustus 1945, waarin Mevr. Wolf, Rijnsburgerweg 116, om een net dienstmeisje vraagt, niet beneden de 16 jaar tot ’s middags 3 uur. Uit de woningkaart van perceel 116 valt op te maken, dat Jettchen Wolf-Blumenkrohn tot 2 december 1946, de dag waarop ze  naar de Verenigde Staten vertrok, op dit adres woonde.]

Begin 1944 zaten vader Jozef en Herman ondergedoken bij het echtpaar Van Gils op de Warmundastraat 3 in Warmond. Herman werd daar ziek en overleed – vermoedelijk door gebrek aan adequate medische zorg – op 17 maart 1944 op 19-jarige leeftijd. 

Hermans overlijden was niet alleen pijnlijk, maar ook heel lastig: onderduikers en hun gastgezinnen wilden vooral niet ontdekt worden, maar men zat nu met een lijk, dat snel begraven moest worden. Een Warmondse boer, Geb Ramp, bracht redding. Het was verboden zich ‘s nachts op straat te begeven, maar toch kwam de heer Ramp in de duisternis vanaf de andere kant van Warmond met een handkar om het lijk op te halen. Dat was met gevaar voor eigen leven, want de kans om een Duitser tegen te komen was niet denkbeeldig. Bovendien had Ramp zelf ook een onderduikster in huis: mevrouw Roosje Blumenthal. In het donker bracht Ramp het lijk van Herman naar zijn eigen erf (rond de huidige Oranje Nassaulaan 20) waar hij het begroef. Na de oorlog werden Hermans stoffelijke resten herbegraven op de Israëlitische begraafplaats in Katwijk aan de Rijn. 

In het laatste oorlogsjaar had de weduwnaar Jozef Meijer tijdens zijn onderduik kennisgemaakt met Rozette de Vries, weduwe van Theo Heijmans, die in 1941 in concentratiekamp Mauthausen werd vermoord. In september 1945 werden Rozette – toen nog Heijmans-de Vries – en haar twee kinderen: Renée en Rob, onderhuurder op de Laat de Kanterstraat 15 bij Emmie Boässon-Cohen, de weduwe van Jacques Boässon. Rozettes moeder: Rebecca Boässon, was een tante van Jacques. Korte tijd later trokken ook Jo Meijer en zijn enige overgebleven zoon Henk bij Emmie Boässon in. 

Op 29 november 1945 hertrouwden Rozette en Jozef in Leiden. Het nieuwe gezin Meijer, bestaande uit vijf personen, woonde tot de zomer van 1955 in de Laat de Kanterstraat.

[Van mei tot december 1945 woonden ook vader Martijn de Marcas en moeder Olga de Marcas-Hes met hun 12-jarige zoon Donald als onderhuurder op de Laat de Kanterstraat  15, totdat ze weer op de Botermarkt 17 in Leiden konden gaan wonen.]

Jettchen Wolf–Blumenkrohn, de moeder van Greta, overleefde de oorlog en verhuisde op 2 december 1946 naar haar zoon Arnold Wolf in Boston, de Verenigde Staten. Ze overleed op 14 maart 1953 in Malden, Massachusetts, VS.

In 1954 werd Henk Meijer als dienstplichtig militair voor een herhalingsoefening opgeroepen. De chauffeur van het legervoertuig waarin Henk zat, lette niet goed op en botste in Rotterdam op een olietrein. Henk overleefde het ongeluk niet. 

In 1955 verhuisde het gezin Meijer-de Vries, helaas zonder Henk, naar het huis dat Jozef aan de Rijnsburgerweg 51 liet bouwen. Het draagt – tot op heden –  de naam Westerwolde, naar de streek in Oost-Groningen waarin de geboorteplaats van Jozef ligt: Vlagtwedde. 

Op 16 februari 1967 stierf Jozef Meijer ‎op 76 jarige leeftijd te Leiden. Zijn begrafenis vond op 19 februari plaats op de Nederlands Israëlitische Begraafplaats te Katwijk aan de Rijn.  

Rozette overleed ruim 20 jaar later, 81 jaar oud, op 9 juni 1987 in Bussum. Op 11 juni werd zij naast haar echtgenoot Jozef op de Nederlands Israëlitische Begraafplaats in Katwijk aan de Rijn begraven.

BRONVERMELDING

https://www.joodsmonument.nl

https://www.maxvandam.info

https://www.leiden4045.nl

https://collections.arolsen-archives.org/

https://www.delpher.nl/

https://leiden.courant.nu/

https://dossier071.nl/

https://labs.kadaster.nl/cases/verkaufsbucher

Nationaal Archief Den Haag (Benjamin Meijer):

Archief Nederlandse Rode Kruis (NRK), Europese persoonsdossiers, toegangsnummer 2.19.288, inv.nr. 76565 (dossier 88104)

Centraal Afwikkelingsbureau Duitse Schade-uitkeringen (CADSU), toegangsnummer 2.08.46, inv.nr. 2243 (dossier 345.724).

Warmond in de Tweede Wereldoorlog, Andre van Noort & Mathieu Fannee, Historisch Genootschap Warmelda, © Warmond 2020 (pag. 24).

Hij zit bij de onderduikersbond, Alphons Siebelt, Primaverapers © Leiden 2015,

Rob Heijmans / zoon van de in Mauthausen vermoorde Theo Heijmans, de eerste echtgenoot van Rozette de Vries. 

Peter van der Geer / bewoner van Rijnsburgerweg 56, Leiden

 

Biografie Leentje Slier, opgesteld door Arnold Schalks

Op zondag 7 juli 1878 werd Willem Slier, zoon van Mijntje Slier en een onbekende vader, in Rotterdam geboren. Uit de gezinskaart van de familie Slier in het Rotterdams Stadsarchief valt op te maken, dat Willem in 1902 in de Bleekersteeg op nummer 17 woonde. Vier jaar later op woensdag 19 december 1906, trouwde de 28-jarige ‘los-werkman’ met de acht jaar jongere Dina van der Maas, ‘zonder beroep’. Het bruidspaar vestigde zich in het centrum van Rotterdam: in de Eerste Diergaardestraat nummer 4b. Hun dochter Leentje Slier werd er op zaterdag 18 september 1926 geboren. Ze was het negende kind van Dina en Willem. 

Leentje Slier

 

RAMPSPOED

Leentje was amper vier jaar oud, toen moeder Dina overleed. Op dinsdag 20 december 1932, één dag na hun 26ste trouwdag, werd Willem weduwnaar in een tijd met een uiterst somber toekomstperspectief. Volgens gegevens uit het Rotterdams Stadsarchief deed Willem eind 1934 een eerste beroep op ondersteuning van het Maatschappelijk Hulpbetoon, de voorloper van de Sociale Dienst. 

Net als alle Nederlandse kinderen was Leentje vanaf haar zesde, vólle levensjaar leerplichtig. Omdat ze ‘onvoordelig’ jarig was, mocht ze pas na de zomervakantie van 1933 naar school. Ze zat in de hoogste klas van de lagere school toen de oorlog uitbrak. Leentje was 13 jaar oud.

DAKLOOS

Leentjes ouderlijk huis aan de Eerste Diergaardestraat lag tijdens het bombardement op Rotterdam nét binnen de brandgrens: op dinsdagmiddag 14 mei 1940 maakte een desastreus kwartier niet alleen het gezin Slier dakloos. Om de ruim 80.000 mede-daklozen te herhuisvesten liet de gemeente Rotterdam aan de stadsgrenzen een zestal wijken met noodwoningen bouwen voor de sociaal zwakkeren, waaronder ‘Het Utrechtse Dorp’* aan het Noorderkanaal. 

OPKRABBELEN

Een deel van de familie Slier was al onder de pannen: Na zijn huwelijk met Lea Velleman in 1933 had Leentjes broer Michiel het ouderlijk huis én Rotterdam verlaten. Ze woonden met hun drie kinderen Isaac, Betje en Dina op de Rochussenstraat 10 in Den Haag. Maar ook Leentjes oudste vier zussen, allen getrouwd met een niet-joodse man, woonden elders in Rotterdam: Sara met Antonius Maas in de Heer Kerstantstraat 33d, Mijntje met Cornelis Hofman in de Pleretstraat 43c en Flora met Marinus Klein op de Ringdijk 142 in Schiebroek.  Stuk voor stuk adressen die buiten de brandgrens vielen. Alleen de woning van Rachel en Dingeman Barbier in de Hooglandstraat 148b werd door bommen verwoest.

Twee weken na het bombardement namen Flora en haar man Marinus Leentjes jongste zusje: de tienjarige Henriëtte bij zich in huis, mogelijk om de last van het ontwrichte huishouden op Willem te verlichten. Henriëtte werd enige tijd in een kliniek opgenomen om te worden behandeld voor angsten, vermoedelijk als gevolg van het trauma opgedaan tijdens het bombardement. 

HERSCHIKKEN

Het is mogelijk dat Willem inzag dat de verwoeste Maasstad geen ideale omgeving was voor opgroeiende kinderen, en naar alternatieven zocht. Feit is, dat Leentje op donderdag 31 oktober 1940 – ruim 5 maanden na het bombardement – naar het Levendaal 8 in Leiden vertrok om als inwonend dienstmeisje te gaan werken bij het joods-orthodoxe gezin van Emanuel Mendelson, de koster van de Leidse synagoge. Het loon uit die dienstbetrekking zal ongetwijfeld een welkome aanvulling geweest zijn op de inkomsten van Willems gehavende gezin. Bovendien vormde huishoudelijk werk voor jonge ‘dienstjes’ een praktische leerschool, die een degelijke opvoeding garandeerde en hen voorbereidde op hun toekomstige taak als huisvrouw. 

In mei 1941 kregen Willem en zijn twee nog ongetrouwde zoons Jacob en David één van de 109 eengezinswoningen op Het Utrechtse Dorp toegewezen. Henriëtte voegde zich niet bij haar vader en broers, maar verhuisde op dinsdag 26 augustus 1941 vanuit Schiebroek naar het orthodoxe Joodse Weeshuis aan de Roodenburgerstraat 1 in Leiden.  

Om onbekende reden wisselde Leentje van werkgever. Begin 1942 verhuisde ze binnen Leiden van het Levendaal naar de Rijnsburgerweg 116, om bij het minder traditioneel joodse gezin van Jozef en Grietje Meijer in dienst te treden voor ‘het verrichten van voorkomende huishoudelijke werkzaamheden tegen een hoog loon, met huiselijk verkeer.’ Ze was toen 15 jaar oud.

AANHOUDINGEN

Op donderdag 9 juli 1942 werd Willems oudste zoon Abraham, die zich als ‘vertegenwoordiger’ kennelijk met illegale lectuur had bezig gehouden, op last van de Sicherheits Polizei op de Linker Rottekade 101a in Rotterdam aangehouden. Na een detentie van negen dagen werd hij doorgestuurd naar kamp Amersfoort om tenslotte in Mauthausen te belanden. 

Op vrijdag 31 juli 1942 werden Willem, David en Jacob in Het Utrechtse Dorp gearresteerd. David en Jacob werden direct via Westerbork naar Auschwitz weggevoerd. 

Michiel, Lea en hun drie jonge kinderen: Dina, Betje en Isaac kwamen op woensdag 19 augustus 1942 aan in kamp Westerbork. Twee dagen later gingen ze op transport naar Auschwitz. 

Op vrijdag 16 oktober 1942 volgde Willem zijn zoons naar Auschwitz, na ruim twee maanden werk te hebben verricht in het Rijkswerkkamp Gijsselte in Drenthe. 

ONDERDUIK

Leentje zal in de loop van 1942 zijn ondergedoken. De eerste bevestiging daarvan dateert van 29 oktober 1942. Die dag verzocht de Commissaris van Politie van Leiden om de opsporing, aanhouding en voorgeleiding van Leentje Slier omdat zij ‘ervan verdacht wordt van woonplaats te zijn veranderd zonder daartoe de juiste vergunning te hebben.‘ Op 7 december 1942 noteerde een Leids gemeenteambtenaar op de woningkaart van perceel Rijnsburgerweg 116 achter de naam Leentje Slier: ‘7-12-1942, V O W’  (= Vertrokken Onbekend Waarheen). 

Op de Arolsenkaart met haar naam staat vermeld, dat Leentje op 7 december 1942 was ondergedoken op de Houtmarkt 18 hs in Amsterdam bij Akiba Frank, godsdienstleraar aan de Amsterdamse synagoge. Akiba en Leentje werden in 1943 op dat adres aangehouden. Op vrijdag 23 april 1943 werd Leentje in Sobibór vermoord. Ze werd 16 jaar oud.

SLOTSOM

Van de veertien overige familieleden van Leentje kwamen er tien om in de nazikampen: Leentjes vader Willem en haar broers Jacob, David en Michiel met zijn vrouw Lea en hun drie kinderen Dina, Betje en Isaac in 1942 in Auschwitz. Leentjes broer Abraham werd in 1942 in Mauthausen vermoord. Leentjes jongste zusje Henriëtte, werd in het Joods Weeshuis in Leiden opgepakt en, twee weken na Leentje, 13 jaar oud, in Sobibór vermoord.

Leentjes oudere zusters Sara, Rachel, Mijntje en Flora overleefden de oorlog door gemengde huwelijken. 

* Op 15 november 1961 trokken B&W van Rotterdam de straatnaam ‘Driebergenstraat’ in.  Het Utrechtse Dorp werd in 1962 gesloopt om plaats te maken voor de aanleg van de A20. 

Sterfdata van de gezinsleden Slier

zondag 23 augustus 1942, Auschwitz 

Dina Slier (4 jaar)

Betje Slier (6 jaar)

Isaac Slier (9 jaar)

Lea Slier-Velleman (29 jaar)

 

woensdag 30 september 1942, Auschwitz 

David Slier (18 jaar)

Jacob Slier (22 jaar)

Michiel Slier (28 jaar)

 

dinsdag 27 oktober 1942, Mauthausen 

Abraham Slier (33 jaar)

 

donderdag 19 november 1942, Auschwitz 

Willem Slier (64 jaar)

 

vrijdag 23 april 1943, Sobibór 

Leentje Slier (16 jaar)

 

vrijdag 7 mei 1943, Sobibór 

Henriëtte Slier (13 jaar)

 

BRONVERMELDING

https://www.openarch.nl

https://www.joodsmonument.nl

https://www.leiden4045.nl

https://collections.arolsen-archives.org/

https://www.delpher.nl/

https://stadsarchief.rotterdam.nl/

 

‘Rotterdam, Het Utrechtse Dorp in vroeger tijden’ / Aad Freriks / © 2001, Uitgeverij de Boektant, Klaaswaal / ISBN 9055341703

‘De straatnamen van Rotterdam, verklaring van alle bestaande en van verdwenen straatnamen’ / Johan Okkema / © 1992, Gemeentelijke Archiefdienst Rotterdam / ISBN 9789072892102 

Koos Barbier / Koos, geboren op 12 maart 1939, is een neef van Leentje en Henriëtte. Zijn moeder, Rachel Slier, was een oudere zus van Leentje en Henriëtte.

 

 

Links

Joodsmonument.nl: Benjamin en Herman en Leentje

Leiden4045: familie Meijer (met vermelding van Leentje Slier)

Verslag plaatsing Stolpersteine 11 januari 2023 

 

De Stichting dankt de gemeente Leiden, de Universiteit Leiden en de particulieren (de aanwezigen en zij die financiële steun gaven) voor het steunen en mede mogelijk maken van deze plechtigheid.

 

Correcties en aanvullingen kunt u melden aan de redactie, via webmaster@herdenkingleiden.nl