Lezing Peter van der Geer

Lezing 11 januari 2023, ter gelegenheid van de plaatsing van Stolpersteine aan de Rijnsburgerweg in Leiden

door Peter van der Geer van Rijnsburgerweg.nl

 

De geschiedenis van Joodse bewoners aan de Rijnsburgerweg kent vele bladzijden. Bekend bij velen is de Joodse professor Meijers nr 13, wiens ontslag sluiting van de universiteit leidde. Minder bekend is Roos Snellen. Van haar kleindochter kreeg ik onlangs haar dagboek te lezen. Dat boek geeft ons een indruk van het leven aan de Rijnsburgerweg in die jaren.

‘Wat zal 1940 brengen? Soms ben ik zo bang.’
Het zijn haar eerste woorden over de Tweede Wereldoorlog. Roos, 34 jaar oud, is voor een kwart Joods en alleen al om die reden bezorgd om haar man, de arts Herman Snellen. Zij wonen aan de Rijnsburgerweg op Terweepark 5, vlak achter het station, naast het ziekenhuis. Ze hebben een dochter Aya, maar konden daarna geen kinderen meer krijgen. Dat is voor Roos een onuitwisbaar verdriet, want ze is dol op kinderen. Een week voor de oorlog nemen ze daarom een weesjongetje in huis, Didi, net als Aya zes jaar. Bij het veelvuldige luchtalarm in mei 1940 schuilt het gezin in de kelder en zingen ze om de spanning te verdrijven. Didi jodelt uitbundig mee.

Maar door de oorlog klapt de artsenpraktijk van Herman Snellen in, want, schrijft ze verbaasd, ‘niemand wordt nog ziek in deze tijd.’ Uit verveling gaat hij maar boontjes planten in de achtertuin. Ze bezuinigen op de hulp in huis, de zanglessen van Roos, maar niet op de muzieklessen voor de kinderen. Didi speelt uren aan de piano. Later kent iedereen hem als Ramses Shaffy.

Roos maakt zich zorgen: ‘De slagers zijn steeds vaker gesloten, in de etalages staan alleen nog lege dozen, fruit is niet meer te betalen en de melk is bijna water.’ In de  grimmige winter van 40-41 kijken ze ‘met angst en beven naar de kolenvoorraad.’ En elke avond ‘snorren er weer vliegmachines door de lucht met hun wrede lading voor Engeland.’ ’s Nachts dolen dronken Duitse soldaten over de Rijnsburgerweg. ‘Zou het nooit vrede worden?’

Zomer ’41. ‘Is het te geloven dat we in deze eeuw nog meemaken dat joden hun huis uit worden gezet?’ Schuin aan de overkant is dan zojuist een joods gezin op straat gezet. Diverse buren nemen Joodse onderduikers in huis. En als de jeugdstorm over de Rijnsburgerweg marcheert onder het zingen van militaristische liederen, schrijft ze: ‘Is er geen God meer die de mensen daar brengt, waar ze wezen moeten’.
Een sprankje hoop krijgt ze als het ziekenhuis weigert het bordje ‘Verboden voor Joden’ te plaatsen. In datzelfde voorjaar van 1942 meldt ze dat op een geheime bijeenkomst van artsen en hun echtgenotes we heel heel zachtjes het Wilhelmus zingen.’

Maar de vrees wint het steeds vaker van de hoop. Augustus 1942: ‘Als je om je heen kijkt wordt je zo angstig. Waarom gebeuren er zoveel gruwelijkheden. Waarom hebben de joden het zo onnoemelijk zwaar, dat ze bij wagons tegelijk naar Polen worden gebracht?’
Op een dag stopt er zo’n goederentrein op het station. Uit de wagons reiken mensenhanden. Roos bedenkt zich geen moment. In de keuken vult ze een grote mand met kaas en brood en pakt nog snel een stapel dekens mee. Met stevige pas loopt ze tussen de blaffende honden en bewakers door om alles uit te delen wat ze heeft.

Naarmate de bezetting voortduurt, heeft Roos steeds vaker ‘een lamgeslagen gevoel’. ‘De zee hebben we de hele zomer niet gezien, want alles is afgezet’ – vanwege de Atlantikwall langs de kust. ’s Winters verblijft het hele gezin op één kamer om kolen te sparen.
Herman Snellen wordt steeds actiever in het verzet. Thuis liggen illegale bladen opgeslagen. Hij helpt als arts Nederlandse mannen uit Duitse dienst te blijven en leidt het Leidse verzet tegen een artsenkamer onder Duits gezag. Het is oppassen, aan de overkant huist NSB-arts Van der Hoeven.

Roos fleurt helemaal op als ze via het Academisch Ziekenhuis een joods jongetje in huis nemen. Geboren als David Cohen noemen ze hem Dicky, zijn vader gedeporteerd en zijn moeder gelvlucht naar Frankrijk. De jongen doet gewoon met alles mee: ‘Nou mevrouw,’ zegt een passagier op de trein,’  je kunt wel zien dat die zoon op u lijkt’.

Begin 1943 lijden de Duitsers ver van hier de eerste verliezen. Maar in Leiden neemt de bezetter steeds drastischer maatregelen. ’Deze week was weer vreselijk’ – alle Joodse  patiënten zijn uit de Leidse ziekenhuizen gehaald.

Echt rustig wonen is het niet meer aan de Rijnsburgerweg. Diefstal aan de orde van de dag is: 30 eenden uit de vijver van Bosman (we lopen straks langs zijn landgoed Nieuweroord). Groenten verdwijnen uit de tuinen. Kazen, tafelzilver, muziekplaten, sieraden, een wringer en fietsen. Niets is veilig. De boterhandelaar staat op straat plots zonder bakfiets, de melkboer mist een paar melkbussen en de postbezorger ziet met een pistool op de borst 1100 gulden uit zijn postzakken verdwijnen. Uit huize Snellen wordt de whiskey ontvreemd.

  1. ‘Razzia’s door de Duitsers, overvallen van het verzet op politie en distributiekantoren en half Nederland zit ondergedoken.’ Roos ziet het even niet meer zitten, maar doet voor de kinderen haar best om de ellende te vergeten: ‘Gewapend met suiker-, boter- en bloembonnen krijg je heus nog het idee dat er geen oorlog is. Zelfs cake gemaakt zonder boter is smullen.’

Een dag na de geallieerde invasie in Normandië worden hier 13 huizen afgebroken voor een vrij schootsveld richting Vliegveld Valkenburg. In de grote huizen worden nog meer Duitsers ingekwartierd, er komen loopgraven en er staat nu een kanon naast het ziekenhuis. Alle bomen langs de Rijnsburgerweg zijn gekapt. ‘Hoe lang nog?’

Als Roos in november weigert om dekens en winterjassen voor de Wehrmacht in te leveren, komen de Duitsers die de volgende dag zelf halen. Het afgestempelde bewijs: 2 wollen dekens, 1 onderbroek, 1 paar sokken en 1 trui. ‘Nooit, zegt ze, voelen we ons machtelozer dan op deze dag. We hebben ons laten overwinnen. Door onze angst helpen we de vijand kleren en dekking te bezorgen.‘

En dan is het 12 december 1944. ‘Vliegtuigen duiken omlaag en laten bommen vallen naast het station. Ons huis schudt heen en weer en alle ruiten sneuvelen.’ Roos beschrijft het bombardement op 200 meter bij hen vandaan. Ze verlaten tijdelijk hun huis.
Tot zover het dagboek.

Je huis verlaten. De elf Joodse mensen aan de Rijnsburgerweg bij wie we vandaag stil staan moesten hun huis verlaten. Om er nooit meer terugkeren. Wie waren zij? Wat was hun levensverhaal? Met de Stolpersteine krijgen zij vandaag hun tastbare plek terug aan de weg waar zij zich ooit thuis voelden. Hun namen kunnen we nu niet meer vergeten.