Lezing Herdenking Jodenvervolging 2023

De biechtstoel van de Petruskerk       

Deze lezing met bijbehorende presentatie werd gehouden door Arthur van Kleeff en Wil Witte op zondag 16 april 2023 in de Petruskerk te Leiden ter gelegenheid van de jaarlijkse Herdenking van de Jodenvervolging in Leiden. 

Jan Witte links, Meijer van Kleeff rechts

Vanavond zullen Arthur van Kleeff en ik, Wil Witte, het verhaal vertellen van een gebeurtenis in het jaar 1943, met verstrekkende gevolgen.

Wil:

Eerst wat achtergrond. Mijn vader, Jan Witte, werkte in de dertiger jaren bij de Kamer van Koophandel hier, op de Stationsstraat in Leiden.

Gebouw Kamer van Koophandel aan de Stationsstraat in Leiden

Hij had samen met mijn moeder, Lenie Stijnman, gepland om op 29 augustus 1939 in deze Petruskerk te trouwen. Echter, op 28 augustus werd de mobilisatie afgekondigd. Mijn vader, toen 39 jaar, moest zich precies op 29 augustus als reservist melden.

Wat te doen? Ze hebben toen de trouwerij met één dag vervroegd en zijn op 28 augustus ’s middags nog getrouwd.

Trouwfoto Jan Witte en Lenie Stijnman

Ze namen hun intrek in de woning Lorentzkade 1.

Lorentzkade 1

In mei 1940, na het bombardement op Middelburg op 17 mei  en de daaropvolgende capitulatie van de provincie Zeeland, werden de Nederlandse militairen krijgsgevangen gemaakt. Mijn vader en alle militairen zijn vanuit Middelburg te voet via Bergen op Zoom naar ’s-Hertogenbosch gedirigeerd. Van daaruit werden zij “gedemilitariseerd” met andere woorden: naar huis gestuurd.

Het gezin Witte werd verblijd met 2 zonen en in augustus 1943 was mijn moeder 6 maanden zwanger van de derde.

 

Arthur:

Mijn opa Meijer van Kleeff is geboren op 1 maart 1898 in Amsterdam. Hij komt uit een gezin met 8 kinderen, 5 jongens en 3 meisjes.

Schoolfoto met Meijer van Kleeff

Meijer groeit op in Amsterdam waar hij het kleermakersvak heeft geleerd. Een aantal van zijn familieleden waaronder zijn vader en één van zijn broers staan op de markt. Als Hollandse jongen vervult hij zijn dienstplicht, op het eind van de eerste Wereldoorlog.

Foto uit de dienstplichtperiode van Meijer van Kleeff

Als hij 27 jaar is vertrekt hij uit Amsterdam naar Berlijn. Daar verdiende hij eerst de kost door op de markt bloemen te verkopen, uit een mand. Op die markt leert hij ook mijn oma kennen. Zij was niet Joods, maar ze waren zeer tot elkaar aangetrokken.

Meijer van Kleef en Emma Helmecke

Mijn grootmoeder heette Emma Helmecke. Zij was al jong wees geworden. Na een tijd in een weeshuis werd zij opgenomen in een pleeggezin van een slager in Berlijn.

Meijer richt samen met zijn broers en met Jacob Heemskerk op 1 januari 1929 een bedrijf op dat handelde in bloembollen en bloemen.

De bloemenhandel

Ze exporteerden die vanuit Berlijn naar Nederland en Amerika. De zaken gaan goed en er wordt een stuk grond aangekocht en een winkel geopend in Berlijn.

In 1931 zijn mijn opa en oma getrouwd.

Trouwfoto Meijer en Emma

Door de toenemende dreiging tegen joden besluiten zijn broers Isaäc en Levie hun aandeel per 8 mei 1933 te verkopen. Mijn opa en de heer Heemskerk gingen samen verder onder de naam Holblumver (Höllandische Blumenverkauf). Sindsdien floreerde het bedrijf nog meer. En op 1 mei 1937 werd nog het 10 jarig jubileum gevierd. U ziet hoe alomtegenwoordig het Duitse bewind al was.

Jubileum Holblumver (Höllandische Blumenverkauf).

 

Maar uiteindelijk werd het voor mijn opa ook steeds gevaarlijker om als jood een bedrijf te bezitten. En op 25 juni 1938 moet hij op grond van Duitse regelgeving afstand doen van zijn eigendom en zich verplicht laten uitkopen. Gezien de reisbewegingen in zijn paspoort blijft hij bij de zaak betrokken, maar gezien de dreiging laat hij op 10 november (op de verjaardag van zijn zoon en kort na de Kristallnacht) zijn vrouw en 2 kinderen naar Nederland vertrekken. Hijzelf gaat er vrij snel zelf ook achteraan, na wat zaken en de verhuizing van hun spullen te hebben geregeld.

 

Zo belanden ze in Leiden en ze vestigen zich op de Lorentzkade 4.

Lorentzkade 4

Hier zie je mijn opa, met mijn vader en mijn oma, voor hun nieuwe huis.

In datzelfde jaar 1938 wordt het Lido-theater aan de Steenstraat in Leiden overgedragen aan zijn broers Isaäc en Levie en wordt Meijer van Kleeff als mede-eigenaar aangesteld als Directeur van de bioscoop.

Lido in Leiden

In juli 1941 werd de bioscoop door het Rijkscommissariaat onder bewindvoering gesteld en werd mijn opa vervangen door Theodoor Eglauer, een voormalig frontsoldaat die door zijn verwondingen niet langer meer kon worden gebruikt aan het Oostfront.

 

Wil:

Dan wordt het augustus 1943. Op Lorentzkade 1 is inmiddels een jongeman van 33 jaar ingetrokken: Nathan Kornalijnslijper (geboren 19 mei 1910).

Nathan Kornalijnslijper met zijn moeder

Hij was de zoon van Elisabeth van Kleeff en Salomon Kornalijnslijper. Hij werkte bij zijn vader in Amsterdam in de zaak als rijwielhersteller. Zijn vader overleed begin 1942, na een langdurig ziekbed. Zijn moeder is vanuit Amsterdam weggevoerd. In december 1942 is zij in Auschwitz vermoord. Nathan is toen naar zijn oom Meijer van Kleeff in Leiden vertrokken. En bij één van de buren, bij Jan Witte, kreeg hij onderdak.

 

Mijn moeder werd overdag in het huishouden geholpen door een meisje uit het internaat St. Lidwinahuis. Zij fungeerde als dienstmeisje en oppas voor de kleintjes. In het Lidwinahuis werden meisjes met wat verminderd  verstandelijk vermogen opgeleid om hun plek in de maatschappij te vinden.

Op 16 augustus zijn mijn vader en moeder niet thuis. Zij zijn naar de begrafenis van oma Stijnman. Dan gaat de bel op Lorentzkade 1 en staan er twee rechercheurs voor de deur. Hoogstwaarschijnlijk waren dit Biesheuvel en De Groot, twee beruchte joden-jagers.

Tot op heden weten wij niet waarom zij juist daar aanbelden. Waren zij op zoek naar radio’s of zochten zij wat anders?

Het dienstmeisje doet open en geeft aan dat mijn vader en moeder niet thuis zijn vanwege een begrafenis. Of zij werd overvallen door het plotselinge bezoek of werd geïmponeerd door de twee rechercheurs dat weten wij niet. Maar het resultaat is dat zij in haar onschuld aangeeft dat “de meneer boven” er wel is.

Die meneer boven is Nathan Kornalijnslijper. Echter Joden moesten aan het gezag toestemming vragen om te verhuizen en die had hij natuurlijk niet. Hij werd vastgezet vanwege “het veranderen van woonplaats” zoals het is geschreven in het arrestantenregister en opgesloten in het politiebureau Zonneveldstraat.

Mijn vader werd natuurlijk opgewacht toen hij na de begrafenis thuis kwam. Hij werd gearresteerd en opgesloten in het politiebureau Zonneveldstraat vanwege, volgens het arrestantenregister,  “het verbergen van joden”.

Uit het arrestantenregister

 

Arthur:

Naar alle waarschijnlijkheid heeft mijn opa door alle commotie in de buurt hier weet van gekregen en is hij via de brandpoort achter het huis naar de Petruskerk gevlucht. Daar heeft hij de nacht doorgebracht in een van de biechtstoelen hier aan de zijkant van de kerk.

De biechtstoel in de Petruskerk

Vermoedelijk is na verhoor de connectie met mijn opa duidelijk geworden. Dus als mijn opa op 17 augustus 1943 besluit toch weer terug naar huis te gaan komt er die middag een overvalwagen voorgereden. En wordt er om half vijf ’s middags thuis aangebeld en wordt hij in het bijzijn van zijn vrouw en dochter opgepakt en eveneens naar het Politiebureau in de Zonneveldstraat overgebracht.

Uit het arrestantenregister blijkt dat ze alle drie respectievelijk 2 á 3 nachten in het Politiebureau hebben vastgezeten, afzonderlijk in de cellen A 3, A 4 en C 6.

Uit het arrestantenregister, Meijer van Kleeff

Omdat mijn opa zonder spullen was vertrokken heeft mijn oma nog kleding naar het Politiebureau gebracht, maar zij heeft dit alleen kunnen afgeven want zij mocht haar man niet meer zien of spreken.

Een schrijnende bijkomstigheid is nog dat nadat mijn opa was gearresteerd er een verklikkerbriefje gestempeld op 25 augustus was afgegeven op het politiebureau.

Verklikkerbriefje

Daarin werd mijn opa van allerlei onwaarheden beticht. Daardoor had hij mogelijk later opgepakt kunnen worden. Rechercheur Biesheuvel noteert dat “voornoemde Van Kleeff” reeds gearresteerd is. U ziet daar rechtsonder zijn handtekening staan.

 

Wil:

Op 19 augustus om 09.00 uur worden de drie mannen, Nathan Kornalijnslijper, Jan Witte en Meijer van Kleeff  volgens het arrestantenregister ontslagen uit het politiebureau in Leiden en op transport gesteld naar politiebureau Het Haagseveer in Rotterdam.

Vanaf hier is er weinig te vinden. Mijn vader heeft hier, voor zover mij bekend (ik ben van net na de oorlog) nooit veel over gezegd.

Feit is dat alle drie de mannen vervolgens worden overgebracht naar concentratiekamp Vught, door de Duitsers genoemd als “Konzentrationslager Hertogenbusch”.

Daar worden Nathan en Meijer van mijn vader gescheiden, want Joodse gevangenen zaten apart van de zogenaamde ‘politieke gevangenen’. Nathan kwam terecht in Blok 15-A; Meijer in Blok 15-B en mijn vader in Blok 21.

Kamp Vught

Contact tussen mijn vader en de twee anderen is er waarschijnlijk niet meer geweest.

 

Arthur:

Mijn opa verstuurde in de periode na zijn arrestatie nog 4 brieven vanuit concentratiekamp Vught.

Brief uit Vught

Op al deze brieven stond ook Nathans naam vermeld.

Rechtsonder staat Nathan zijn naam

En hoewel ze niet allebei in dezelfde barak zaten schrijft mijn opa dat ze elkaar nog wel steeds zagen en konden spreken. In de brieven verzoekt mijn opa om kleding, bestek, scheergerei en geld voor Nathan zodat ze in het kamp sigaretten en fruit konden kopen. In de laatste brief gedateerd 14 november geeft hij aan niets meer te sturen omdat zij de volgende dag, naar later blijkt met in totaal 1149 joden, rechtstreeks naar Auschwitz-Birkenau in Polen zijn gegaan, om daar 3 dagen later aan te komen.

 

Wil:

Mijn moeder heeft nog wel schriftelijk contact met mijn vader. Zie dit kleine envelopje geadresseerd  aan Häftling  nr. 7219 Block nr.21.

Brief naar Jan Witte

 

Arthur:

Hoewel veel joden direct bij aankomst naar de gaskamers werden geleid was dat niet het geval voor Nathan en mijn opa. Want mijn opa zijn eerste en tegelijk ook laatste zwaar gecensureerde brief uit Auschwitz-Birkenau dateert van 13 januari 1944.

Brief uit Birkenau

Hij schrijft dat het hem goed gaat, en dat hij hoopt zijn lieve vrouw en kinderen spoedig weer te zien.  Maar zo mocht het niet zijn. Meijer en Nathan staan uiteindelijk als overleden geregistreerd op 31 januari 1944.

Wil:

Het Kamp Vught had een paar zogenoemde sub-kampen. Eén ervan was sub-kamp Moerdijk. Hier werden door de Duitsers bunkers en verdedigingswerken aangelegd door middel van o.a. dwangarbeid van gevangenen. Mijn vader heeft daar ook enige tijd moeten werken.

Wat ik mij nog wel kan herinneren is dat mijn vader ooit vertelde dat zij in de winterperiode (het was tenslotte eind 1943 en begin 1944) in vrachtwagens met open laadbak werden vervoerd naar de plek om te werken.

Of hij daardoor een oorontsteking opliep kan natuurlijk niemand zeggen, maar feit is dat deze oorontsteking nooit adequaat is behandeld en mijn vader daardoor later veel gehoorproblemen heeft gekend.

Op een mooie dag in april 1944 staat er een uitgemergelde kale man voor de erker van de huiskamer Lorentzkade 1 naar binnen te kijken. Mijn moeder schrikt in eerste instantie als ze de man ziet maar uiteindelijk herkent ze haar eigen man, die natuurlijk geen sleutel meer had, en een paar dagen eerder was vrijgelaten uit Kamp Vught.

In de verdere oorlogsperiode is hij nog lid geweest van de Binnenlandse Strijdkrachten onder bevel van Prins Bernhard totdat de BS in augustus 1945 werd opgeheven.

Foto van de Binnenlandse Strijdkrachten

Arthur: 

Na de oorlog is er nog iemand bij mijn oma langs gekomen die mijn opa kende. Hij heeft haar gezegd dat er weinig hoop was dat hij terug zou komen omdat hij haar man in de rij naar de gaskamers heeft zien staan.

Eerst op 18 mei 1951 ontvangt mijn oma schriftelijk bericht van het Rode Kruis dat het overlijden van haar man kon worden vastgesteld. Zo bleek uit het onderzoek naar het lot van het deportatietransport waarin hij zat. Mijn oma is nadien niet meer hertrouwd en altijd alleen gebleven.

De bioscoop kwam op 5 november 1945 in handen van schoonzoon Louis van Praag. Hij trad op als beheerder van de door mijn opa en zijn 2 broers opgerichte NV Molian. Net als mijn opa hebben ook zijn broers de oorlog niet overleefd.

Door mijn onderzoek naar het familieverhaal kwam ik in contact met iemand bij wie een aantal Stolpersteine voor zijn huis lagen. Ik heb toen via de mail contact gezocht met de Stichting van de kunstenaar Gunter Demnig die het project van het plaatsen van Stolpersteine is gestart.

En doordat er iemand was uitgevallen kwam Gunter Demnig ineens heel snel op 3 november 2014 naar Leiden om een Stolperstein te leggen voor de Lorentzkade 4, vanwaar mijn opa destijds is weggevoerd.

Stolperstein Meijer van Kleeff

Mijn vader was hier heel blij me. En zelf ben ik, naast dat de Stolperstein er is gekomen, blij dat hij er zelf nog bij heeft kunnen zijn toen de steen gelegd werd. Want iets meer dan een maand later is mijn vader overleden.

En nu kan en ga ik ieder jaar met mijn kinderen rond de verjaardag van mijn opa zijn steen even oppoetsen om hem weer te laten shinen.

Wil: 

Graag wil ik een lans breken voor het plaatsen van een Stolperstein voor Nathan Kornalijnslijper. Opdat wij niet vergeten…

 

Leiden, 16 april 2023

Arthur van Kleeff en Wil Witte